Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Eens

betekenis & definitie

I. bw.,

1. éénmaal, één keer: ik zeg het maar eens; eens voor altijd of voor al. zonder het te herhalen (bij een vermaning); — dat is eens en nooit weer, van de eerste keer hebben we meer dan genoeg; — meer dan eens, herhaaldelijk; — ik krijg nu eens van u (bij het spel), eenmaal de inzet zijt ge mij schuldig; ik heb (houd) eens op hem, hij heeft mijn wraak te duchten;

in eens, in één maal of tegelijk: hij deed het examen in tweemaal, doch zijn broer deed het in eens; men hoeft de belasting niet in eens te betalen; — ook voor: plotseling, onverwachts: zij begon in eens te huilen; toen hij mij zag, kwam hij in eens op mij af, regelrecht, terstond; op eens, plotseling, geheel onverwachts: op eens ontstond er een grote verwarring; ook voor in eens, in één maal;

2. eens zo groot, nog eenmaal, dus tweemaal zo groot;
3. op zekere tijd, een keer, hetzij in het verleden: er was eens een koning; eens op een dag, of in de toekomst: wanneer ik eens rijk word; ik kom eens bij u aanlopen; —uitdrukkelijk in toepassing op het verleden of op de toekomst indien met nadruk gebezigd: ééns was dit een machtig rijk; ééns zal de tijd der bevrijding komen; — ook zonder gedachte aan een bep. tijd: hij is nu nooit eens aardig; dikwijls alleen ter versterking: ik heb het hem eens goed gezegd, zal het hem eens goed zeggen; je zult wel eens zien wat er gebeurt; hij had niet eens tijd afscheid te nemen, zelfs niet; — in verbinding met andere bw.: nog eens, nog een keer; om een hoedanigheid met nadruk uit te drukken: dat is nog eens een flinke vent;nu eensdan weer, bij tussenpozen, afwisselend; — wel eens, een enkele keer, soms: dat gebeurt wel eens; ook wel eens niet;

II. bn., het eens zijn over iets, daarover in gevoelen of mening overeenstemmen; het eens worden, tot een akkoord komen, samen een besluit nemen; wij konden het over hem niet eens worden, nl. hoe hem te beoordelen, of wat over hem te besluiten; — het eindelijk -met zichzelf eens zijn, tot een besluit gekomen zijn; — het met iem. eens zijn, met hem samenwerken, met hem onder één hoedje spelen; in ’t bijz. met betr. tot al of niet geoorloofde liefdesbetrekkingen;

III. zn. (zonder lidw.), (dievent.) verdenking, achterdocht: eens op iem. hebben.