Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Wereld

betekenis & definitie

v. (-en),

1. het heelal, de hemel en de aarde met alles wat zij bevatten : God schiep de wereld in zes dagen ; — in het jaar der wereld..., na de schepping ; — het vergaan van de wereld, de ondergang van de stoffelijke kosmos ; (zegsw.) het was (een lawaai) of de wereld verging ; de donder rolde of het hemelgewelf kraakten het einde der wereld nabij was (Couperus); — (fig.) groot samenstel, oneindige verscheidenheid: een wereld van gedachten, verschijnselen, vermaken; — geheel van het bestaande in zekere categorie: de wereld van het oneindig kleine ; een wereld in een wereld;
2. hemelbol: de hemel met zijn talloze werelden ;
3.de aarde, bep. met de gedachte aan hetgeen zich er op bevindt: de wereld is groot; de reis om de wereld in 80 dagen ; de delen der wereld ; — de Oude Wereld, Europa, Azië en Afrika ; de Nieuwe Wereld, Amerika (en Australië) ; — de wijde wereld ingaan, zijn geboorteplaats verlaten, op reis gaan om kennis op te doen, zijn geluk te beproeven ; — in de wereld, ter wereld heeft soms alleen versterkende bet.: hoe is het in de wereld mogelijk! hoe kan dat toch wezen 1 ; niets ter wereld bezitten, doodarm zijn ; de beste man ter wereld ; wat ter wereld kan tegen zo iets opwegen l ; — (zegsw.) dat (b.v. zeker bedrag) is de wereld niet, het is niet zo erg veel, heeft niet zo veel te betekenen ;
4. de aarde als woonplaats der mensen: ter wereld komen, geboren worden; ter wereld brengen , baren; — als milieu waarin men leeft: ieder heeft zijn eigen wereldje); — als gezichtssfeer in de zegsw. het is vandaag een kleine wereld, het is mistig ; het is de witte wereld, het heeft gesneeuwd ; — een onaangename zaak uit de wereld helpen, er een eind aan maken, tenietdoen ; — de andere wereld, het rijk der doden ; de onderwereld, de hel: naar de andere wereld verhuizen, sterven; — iem. naar de andere wereld helpen, zenden, hem doden ; — ’t is een werk van de andere wereld (met zinspeling op de straf der Danaïden, van Ixion, van Sisyphus, enz.), een duivels werk ;
5. de mensenmaatschappij, de mensen op aarde : de tegenwoordige wereld, de mensen die nu leven ; de Oude Wereld, de Oudheid ; zo gaat het in de wereld ; — (Zuidn.) de wereld springt op krukken, ’t gaat in de wereld vreemd, verkeerd toe; — zich door de wereld helpen, zich door het leven slaan ; de wereld intreden, in het publiek optreden, ofwel: een actief lid der maatschappij worden ; — de hele wereld, iedereen : dat kan ik voor de hele wereld verantwoorden ;
6. de materiële goederen en genoegens, dat wat de stoffelijke en zinnelijke mens aangaat: de wereld liefhebben; zich uit de wereld terugtrekken, der wereld afsterven, zich aan de samenleving onttrekken;
7. kring waarin iemand, een categorie van personen of de mensen van zekere tijd leeft of leven, denken en zich bewegen, het geheel van hun voorstellingen : de wereld van Dante ; de kleinburgerlijke wereld ; de wereld van het kind, van het dier;
8. aardoppervlak, grond, bodem: nu trilde de wereld van zijn luilde vaart (H. de Vries); — (gemeenz.) iets tegen de wereld gooien, op de grond (vgl. tegen de vlakte).