Wat is de betekenis van al?

2026-01-17
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Al

I. onbep. hoofdtelw. en vnw., bijvoegl. en zelfst.; 1.geheel, gans : al de vloot, al de stad ; — nog in : al zijn leven, zijn ganse leven; — op al de wereld, op de gehele wereld ; — al de dag, de ganse dag; — hij doet al zijn best, zijn uiterste best; — met al zijn macht; &mdas...

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Studenten van onderstaande onderwijsinstellingen hebben gratis toegang

Universiteit Leiden University of Amsterdam Universiteit Utrecht
2026-01-17
Indonesisch Nederlands woordenboek

W. J. S. Poerwadarminta en dr. A. Teeuw (1950)

al

A †, (lidwoord, in vele Arabische woordverbindingen, zegswijzen enz:) de, het. ala I ‘ala: A, (voorzetsel oa) op, over, naar; (in vaste uitdrukkingen bv:) ‘ala kadarnja, naar vermogen, naar beste kunnen; -> ‘alaihi, ‘alaikum. II a‘la: A, hoog; tera'la †, zeer hoog, allerhoogste; uitstekend. III ala: †, à la, op zijn ….