Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bed

betekenis & definitie

BED, o. (-den), een met veeren, dons, kapok, zeegras, kaf enz. gevulde zak om op te slapen; inz. zulk een zak met zijn toebehooren van peluw, kussens, lakens, dekens enz.; (ook) ledikant of bedstede met bed en toebehooren;

— naar {te) bed gaan, gaan slapen; vgl. dood-, veld-, ziekbed;
— een bed stoppen, den beddezak met veeren enz. vullen;
— het bed afhalen, het beddegoed uit ledikant of bedstede halen; ook (gew.) van schoone lakens en sloopen voorzien;
— het bed opmaken, het beddegoed naar behooren erin leggen;
— (w. g.) ik zal dat bed wel opmaken, dat wel klaren, in orde brengen;
— het bed houden, te bed liggen, ziek zijn;
— de zieke komt niet meer van het bed, ligt plat te bed, ligt voortdurend te bed
— zijne vrouw is, ligt in ’t bed, in ’t kraambed, is niet lang geleden bevallen;
— (gemeenz.) dat meisje moet naar bed, moet binnenkort bevallen;
— het bed ligt al voor u gespreid, gij zijt ons welkom (als gast);
— ’t is bij hen: Zoetelief, kom bij mij te bed, ’t is koek en ei tusschen hen;
— het is niet altijd: ,, Zoetelief, kom te bed !” men kan niet altijd alles goedvinden en vriendelijk zijn;
— hij slaapt haast geen nacht op bed, zijne drukke bezigheden doen hem zelfs zijne nachtrust missen;
— wie den naam heeft van vroeg opstaan, mag vrij te bed blijven (mag lang slapen), wie den naam heeft knap te zijn, kan ongestraft eene domme fout begaan;
— laat uw bed het maar niet hooren, (in scherts gezegd tegen iem. die plannen maakt om zeer vroeg op te staan);
— men gaat er mee naar bed en men staat er weer mee op, (van kommer en verdriet, plannen, berekeningen enz. gezegd), er steeds aan denken, ze niet uit zijne gedachten kunnen zetten;
— bij het naar bed gaan de zorg in de kleeren laten, er niet meer aan denken, als men slapen gaat;
— men moet zich niet uitkleeden, voor men naar bed gaat, vóór zijn dood moet men zijne bezittingen niet verdeelen en -weggeven;
— van het bed op het stroo geraken, met zijne zaken achteruit raken, aan lager wal komen;
— sterven op het bed van eer, op het slagveld sneuvelen;
— in dat ziekenhuis is geen bed meer vrij, alle bedden zijn bezet, er kan geen patiënt meer opgenomen worden; in dat krankzinnigengesticht vraagt men f 1500 per bed, per patiënt;
— een vrij bed in eene inrichting, waar een patiënt kosteloos opgenomen wordt;
— (recht.) van tafel en bed gescheiden zijn, bij rechterlijk vonnis van de verplichting tot samenwoning ontheven zijn; (ook) voorloopige, gedeeltelijke scheiding; toestand van verkoeling, afkeer tusschen twee gehuwden; niet bij elkander komen (van gehuwden); door de omstandigheden gedwongen zijn van elkander verwijderd te leven;
— iemands bed schenden, met diens vrouw overspel bedrijven;
— huwelijk zij gaat nog met haar spot naar bed, zij zal nog in ’t huwelijk treden met wien zij nu voor lummel houdt;
— kinderen van het eerste bed, uit het eerste huwelijk;
— hij is van het echte bed, is een wettig kind;
— het leger van grof wild;
— plaats waar korhoenders, patrijzen enz. in het zand hebben liggen gullen;
— onderstel, legger voor verschillende machines, zie bedding;
— het bed of de bedding eener rivier, van een gletscher, de begrensde ruimte waarbinnen het water stroomt, het ijs voortschuift;
breedte eener rivier zomerbed, winterbed;
laag in eene mijn;
zelling of zaat door een schip in de modder gemaakt;
— eene afgeperkte en verhoogde plaats, in een tuin, waarop bloemen of gewassen gekweekt worden tuin-, bloem-, aardbeziënbed; een bed met boonen;
— laag van koolzaadstruiken, die gedorscht moeten worden;
— (wev.) de drie inslagdraden (van fluweel), die tusschen iedere twee op elkander volgende naaldvakken liggen. BEDJE, o. (-s), klein bed.: in zijn bedje liggen.