Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

2018-11-29

Rivier

betekenis & definitie

Rivier - v. (-en), altijd stroomend water dat gewoonlijk op de bergen ontspringt en in zee of eene andere rivier uitloopt; de bron, de bedding, de loop, de oever, de monding, het verval eener rivier;

— (spr.) alle rivieren loopen in de zee, schertsend gebezigd na de mededeeling van iets zeer gewoons, dat als iets buitengewoons werd voorgesteld;
— rivieren, die in korten tijd hoog wassen, hebben veel troebel water in, als iemand in korten tijd rijk wordt, is er doorgaans veel oneerlijk geld bij;
— verdwijnende onderaardsche rivier, die voor korter of langer tijd onder de aardoppervlakte doorstroomt (vooral in kalkgebergten). RIVIERTJE, o. (-s).