Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

Schip

betekenis & definitie

Schip - o. (schepen), vaartuig; dicht schip, dat niet lek is;

— een bekwaam, zeewaardig schip, dat goed zee bouwt;
scherp schip, dat snel zeilt;
blank schip, dat schoongespoeld is;
— een schip afdanken, uit de vaart brengen (wegens ouderdom of onzeewaardigheid);
— een breed, smal, hoog getuigd schip; een diepgaand, diep verbonden schip; een snelzeilend schip; een krank (beschadigd) schip; een loefgierig (hellend) schip;
— een overlastig schip, dat te grooten last heeft;
— een schip reddeloos schieten, zoo havenen, dat het niet meer varen kan;
— stuurlastig schip, dat te veel in het stuur hangt;
— een schip op stapel, dat men bezig is te bouwen;
— een schip van stapel laten loopen, voor het eerst te water brengen;
— (recht.) de vlag dekt het schip, niet de lading, in tijd van oorlog worden slechts de schepen der onzijdigen geëerbiedigd, niet wat zij medevoeren wanneer het contrabande is;
— (spr.) een schip op strand, een baken in zee, zie BAAK;
geen twee groote masten op één schip, zie MAST;
— een klein lek doet een groot schip zinken, een klein verzuim kan de grootste gevolgen hebben;
— oude of dure schepen blijven aan wal, oude meisjes of meisjes, die te veel eischen, blijven ongehuwd;
— een schip met zure appelen, eene opkomende zware regen- of hagelbui; (ook) een oud meisje dat niet veel kans meer heeft te huwen;
schoon schip maken, opruimen, wegnemen al wat niet deugt, (ook) eene darmzuivering houden;
— als het schip met geld komt, als ik in mijne rijke dagen kom, nooit;
— (Ind.) hij is zonder schip in Indië gekomen, hij is in Indië geboren, inz. gezegd van halfbloedmenschen;
— (fig.) het is een diepgaand schip, hij heeft veel noodig om zijne uitgaven te dekken;
— groot schip, groot water, eene groote huishouding kost veel geld;
— groot schip, groote zorg, wanneer men groote zaken doet, heeft men veel zorg;
— een groot schip heeft groote zeilen noodig, wie in een hoogen stand geplaatst is, wie op een grooten voet leeft, heeft veel noodig;
— zijn schip voert te groote zeilen, hij leeft op te grooten voet;
— het schip aan de zee overgeven, iem. aan zijn lot overlaten;
— hij reedt mede aan dat schip, hij is mede in de zaak betrokken;
— klein schip, klein zeil, kleine huishouding, kleine zorgen;
— het schip dragende houden, zich in denzelfden staat houden;
— het is een schip van bijleg, er moet geld bij;
— het schip der woestijn, de kameel;
— (bouwk.) ruim eener kerk, groote zaal;
— (sterrenk.) het schip Argo, naam van een sterrenbeeld. SCHEEPJE, o. (-s).