Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

Ruimte

betekenis & definitie

Ruimte - v. (-n), plaats waarin de lichamen zich bevinden en bewegen: de oneindige ruimte;

alle lichamen beslaan ruimte; dat neemt te veel ruimte in;
— (gemeenz.) geef hem de ruimte, laat hem passeeren, laat je niet met hem in. laat hem ongehinderd voorbijgaan;
— uitgestrektheid: men overziet hier eene heele ruimte;
— grootte, wijdte: ruimte in den rok;
— (over het algemeen) eene plaats of plek tusschen muren, lijnen enz. besloten, b. v. (boekdr.) ruimte tusschen de woorden; 1 ruimte tusschen twee balken :
— ladingsvermogen [ van een schip ;
— (ontl.) ruimte tusschen de wenkbrauwen;
— groote omvang;
— open lucht, dampkring : vogels houden van de ruimte ;
— inhoud ; de ruimte van deze kamer is 96 M3,
— (jag.) hol van dassen, vossen en konijnen;
— ' overvloed : daar vind je alles in de ruimte ; ruimte van levensmiddelen; zij hebben altijd ruimte van geld ; zij leven in de ruimte, zij hebben de ruimte, leven overvloedig, hebben volop ;
— ruimte kan derven, al heeft men overvloed van geld, dan kan men toch wel het gemis aan iets gevoelen;
— iem. in de ruimte bedenken, meer dan genoeg hem geven;
— opening tusschen eenige voorwerpen, die ingenomen kan worden door andere voorwerpen : de ruimte tusschen die huizen is gering ; over veel ruimte in eene krant kunnen beschikken ; hier is ruimte genoeg ; ruimte maken, openlaten ;
— opening om het daglicht door te laten ;
— (zeet.) de ruimte kiezen, zich in volle zee begeven; (ook) zich aan het gevaar onttrekken.