Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Tuin

betekenis & definitie

Tuin - m. (-en), heining, afperking, omtuining: een tuin om een stuk grond maken; (fig.) iem. om den tuin leiden, hem foppen, bedriegen ; de kap op (of om) den tuin hangen, het kloosterleven verlaten ;

— vlechtwerk, mandewerk van teenen voor afscheidingen, afschoeiingen, kribben enz. : de staakrijen worden soms door tuinen vervangen, palen met rijswerk doorvlochten ;
— ruimte door een tuin afgesloten : bij het doopen zitten de moeders der doopelingen in den tuin, binnen het doophek ;
— Hollands tuin, de schoone dreven van Nederland; dierentuin;
— inz. een afgeschoten stuk land waar bloemen, moesgroenten enz. verbouwd worden ;
— speeltuin. TUINTJE, o. (-s), kleine tuin.