Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

2020-02-24

Nut

betekenis & definitie

Het begrip nut heeft 2 verschillende betekenissen:

1. nut - bn. (-ter, -st), nuttig : hij is tot niets nut; eene nutte bezigheid.

2. nut - o. nuttigheid, voordeel, datgene wat ons voor een doel kan dienen en waaruit we voordeel kunnen trekken: ik zie er het nut niet van in; hij zal er niet veel nut van hebben; Maatschappij tot Nut van het Algemeen; onteigening ten algemeenen nutte; ten nutte maken, voordeel trekken (van iets);
— o. gaat gij ook naar het Nut, de openbare vergadering van een departement der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, de nutsvergadering;
— de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen: het Nut geeft subsidie aan deze bewaarschool.