Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kan

betekenis & definitie

KAN, v. ( -nen), een cilindervormig of zich in het midden buikvormig verwijdend vaatwerk voor vloeistoffen (van metaal: goud, zilver, tin, koper enz., van porselein, steen, aardewerk of hout): eene kan met melk; uit de kan drinken; eene kan bier;

— (fig.) de kan aanspraken, (sterken drank) drinken;
— te diep in de kan kijken, te veel drinken;
— liefhebber van de kan (van drinken) zijn;
— (spr.) wie het onderste uit de kan wil hebben, dien valt het lid (d.i. deksel) op den neus, wie te begeerig is, krijgt vaak niets, komt bedrogen uit;
— als het bier (de wijn) is in den man, dan is de wijsheid in de kan, een beschonkene weet niet wat hij zwijgen of laten moet;
— de volle kan loopt over, een dronkaard kletst veel;
— inhoudsmaat voor vloeistoffen, liter;
— (wev.) korf waarin de afvoerrol het gerekte band laat vallen;
— (scherts.) wie geen kan heeft, moet de leer gebruiken (ook ; zet de kan neer en neem de leer), tot iem., die zegt iets niet te kunnen, om hem aan te manen het te leeren. KANNETJE, o. (-s), kleine kan.