Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bezigheid

betekenis & definitie

BEZIGHEID, v. (...heden), werk, bedrijf, verrichting met bezigheden overladen zijn; hij is altijd vol bezigheden; nu weer aan de bezigheid !, nu weer aan ’t werk; nuttige bezigheid zoeken;

— hij verkwist zijn tijd met ledige bezigheid, in schijn heeft hij het altijd druk, doch inderdaad voert hij niets uit;
— (Z. A.) handelszaak.