Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gezicht

betekenis & definitie

GEZICHT, o. (-en), het zien op (of bij) het gezicht dier ellende werd hij met weemoed vervuld; op het eerste gezicht, bij het voor het eerst aanschouwen op het eerste gezicht hield ik het vraagstuk voor onoplosbaar: op het eerste gezicht iets spelen (of zingen), van het blad, zonder van te voren dat muziekstuk te hebben bestudeerd;

— een der vijf zinnen;
— het zintuig waarmede men ziet, de oogen hij is goed van gezicht; ik heb een slecht gezicht; bij oude lieden begint het gezicht te verzwakken; hij heeft het gezicht verloren, is blind geworden; zoover het gezicht reikt, zoover men zien kan;
— de ruimte die men overzien kan bergen beperkten aan den temen kant het gezicht;
— het schip leed schipbreuk in het gezicht der kust, er dicht bij;
— iets in het gezicht krijgen, het bespeuren;
— iem. in het gezicht staan, zóó voor hem staan, dat hem het vrije uitzicht wordt benomen;
— (w. g.) het staat voor het gezicht, valt terstond in het oog;
— iem. in het gezicht loopen, hem tegenkomen;
— hij is uit het gezicht, zoo ver weg, dat men hem niet meer zien kan;
— iemand uit het gezicht verliezen, hem niet meer kunnen zien, (fig.) gaandeweg onbekend raken met zijn lot;
— eene gewaarwording van het oog, of datgene waardoor die gewaarwording is opgewekt: zij kan niet tegen het gezicht van bloed; *t was een aardig gezicht al die versierde vaartuigen; dat is geen gezicht!, dat is niet om aan te zien, dat staat niet;
— een droomgezicht, een visioen: zij klaagde, dat zij vreemde gezichten en droomen gehad had;
— een landschap dat men ziet: wat een verrukkelijk gezicht; wij hadden het gezicht op de spoorbrug, zagen daarop uit;
— (ook) de afbeelding van zulk een gezicht: een gezicht op Venetië; ten stadsgezicht; een wintergezicht;
— gezicht op iets (of iemand) hebben, er kijk op hebben, het (of hem) uit het ware oogpunt weten te beschouwen:
— aangezicht: zij verborg haar gezicht achter den waaier; hij heeft een blozend gezicht; een gezicht zonder uitdrukking;
— ik vertrouw hem op zijn eerlijk gezicht, een anderen waarborg verlang ik niet;
—ik zie hier veel vreemde gezichten, gezichten die ik niet ken, onbekende personen;
zij heeft een lief gezichtje, zij ziet er aardig uit;
— iem. op zijn gezicht geren (slaan enz.), hem afranselen;
— een klap in *t gezicht, fig. van beleedigingen;
— iemand in het gezicht vliegen, hem aanvliegen;
— hij keek mij strak in het gezicht, zag mij strak aan; de zon schijnt mij juist in het gezicht;
— ik zeide het hem in zijn gezicht, ronduit;
— het kost mij soms moeite hem niet in zijn gezicht uit te lachen, in zijne tegenwoordigheid;
— ik ken hem enkel van gezicht, van uiterlijk, ik heb hem nooit gesproken;
— het gelaat dat iemand op een bepaald oogenblik vertoont: gij hadt zijn gezicht moeten zien; wat zet je een benauwd gezicht; met het onnoozelste gezicht van de wereld; wat een zuur gezicht; hij zette een lang gezicht, als teeken van teleurstelling of ergernis;
— je hebt een gezicht als een oorworm, een boos, gemelijk gelaat;
— een gezicht van ouwe lappen, huilerig, leelijk;
— gezichten trekken, zijn gelaat vertrekken, grijnzen;
— hij trekt een gezicht als een boer die kiespijn heeft, hij kijkt leelijk;
— een gezicht als de volle maan, vol en rond;
— iem. met twee gezichten, een valschaard, scheinheilige; (Zuidn. ook) werken, spreken met twee gezichten;
— houd }e gezicht, houd je mond, zwijg. GEZICHTJE, o. (-s).