Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Eerste

betekenis & definitie

EERSTE, rangtelw. (bijv. en zelfst.) en bw. in betrekking tot den tijd, de ruimte, den rang; het tegenovergestelde van laatste: de eerste dag der week; op den eersten (dag) der maand;

— in de eerste vier dagen, weken blijft hij thuis, in de eerstkomende, eerstvolgende;
— de eerste wacht op een zeeschip, die van acht uur *s avonds tot middernacht;
— ik zeg het u voor de eerste en de laatste maal, maar eens;
— de eerste bank, die vooraan staat, niet de achterste;
— de eerste straat aan uwe linkerhand, die gij het eerst bereikt;
— van deze acht huizen heeft hij de eerste vier en zijn broeder de laatste vier gekocht;
— van dit boek bevallen mij de vier eerste hoofdstukken het best, de andere minder goed, de hoofdstukken 1 tot en met 4;
— de vier eerste jongens uit de klasse, vier van de jongens die vooraan zitten;
— de eerste officier aan boord, in rang onder den commandant, doch boven de andere officieren;
— de eerste onderwijzer, plaatsvervangend hoofd; ook onderwijzer, in rang onder het hoofd der school doch boven het andere personeel;
— hij kreeg den eersten prijs, den hoogsten prijs:
— de eerste mooi, niet de tweede;
— (fig.) de eerste viool spelen, de voornaamste zijn, den meesten invloed hebben, (ook) het hoogste woord voeren;
— de eerste dokter der stad, de voornaamste, de kundigste;
— tot de eerste familiën behooren, tot de aanzienlijksten;
— de directeuren der drie eerste handelshuizen, voornaamste, grootste;
— hij bekleedt hier de eerste plaats, is hier de voornaamste;
— een eerste deugniet, aartsdeugniet;
— alles was eerste klas, uitstekend, zoo goed als het kon;
— de eerste de beste gelegenheid, die zich het eerst aanbiedt;
— de eerste de beste die komt, die het eerst van allen komt, onverschillig wie;
— hij was de eerste die het wist, hij wist het, voordat de anderen het wisten;
— de eerste die aankomt, krijgt den prijs;
— dat meisje is de eerste van de klasse, overtreft de andere leerlingen;
— de eersten der stad, de aanzienlijksten;
— (spr.) (bijb.) vele eersten zullen de laatsten zijn, vele hooggeplaatsten zullen achterstaan (in het Godsrijk) bij hen die de minsten schenen te zijn;
— koeien en schapen zijn nuttige dieren: de eerste geven ons melk, de laatste wol, de eerstgenoemde;
— dat is het eerste wat ik hoor, dat verwondert mij in hooge mate;
— in het eerst, in den beginne;
— voor het eerst, niet eerder, voor den eersten keer;
— ten eerste, in de eerste plaats, vooraf, voor al het andere;
— (gew.) zeg hem dat hij ten eerste komt (ook met den eersten), zoo spoedig mogelijk, zoodra de gelegenheid er gunstig voor is;
— hij zag den brand het eerst, voor dat anderen dien zagen;
— hij was het eerst over de streep;
— eerst was hij verlegen, in den beginne, aanvankelijk;
— (spr.) eerst in de boot, keur van riemen, zie BOOT; (spr.) die eerst komt, eerst maalt, zie MALEN;
gij moet eerst bij mij komen, voor dat gij anderen bezoekt, voordat gij iets anders doet;
— dat is nog eerst een flinke jongen, flink boven alle andere jongens;
— het ziet er beter uit dan eerst, dan vroeger, dan in den beginne;
hij kan eerst morgen (of morgen eerst) hier zijn, niet vroeger;
weet gij dat eerst nu (of nu eerst), niet eerder dan nu pas;
— dan eerst, na dit gedaan te hebben;
— dan eerst niet eerder ?;
— voegw. bw., (rangschikkend of voortzettend): eerst werken, dan spelen; ten eerste werd hij gepasseerd, ten tweede (daarna) op pensioen gesteld.