Wat is de betekenis van temen?

2026-07-14
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Temen

(teemde, heeft geteemd), 1. zaniken, zeuren : als ze hem weg wou sturen, moest ze er maar veel over temen; 2. op zeurige, lijmerige toon spreken of zeggen : temende woorden-, ,,is hij er nog?”, teemde ze: 3. talmen, dralen.