Wat is de betekenis van gezicht?

2019
2021-11-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gezicht

gezicht - Zelfstandignaamwoord 1. (anatomie) de voorkant van een menselijk hoofd De neus, de mond en de ogen zijn delen van het gezicht. 2. het vermogen om te kunnen te zien Zijn gezicht ging achteruit en daarom moest hij een bril gaan dragen....

Lees verder
2018
2021-11-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gezicht

gezicht - zelfstandig naamwoord uitspraak: ge-zicht 1. voorkant van het hoofd ♢ ze had haar gezicht niet opgemaakt 1. met een stalen gezicht [zonder gevoel te tonen] ...

Lees verder
2010
2021-11-29
Dokterswoordenboek

Ruim 2300 medische begrippen, omschreven door Jannes van Everdingen en Arnoud van den Eerenbeemt

gezicht

Voorkant van het hoofd, met mond, neus en ogen. Het gezicht is het gedeelte van het hoofd waarmee je ziet. Het zicht is dat wat je ziet of hoe je ziet (bij mist is het zicht slecht). Daarnaast heeft het woord ook de betekenis van ‘gezichtsvermogen’. Maar je ‘gezicht verliezen’ (blind worden) is wat anders dan ‘gezichtsverlies lijden’ (afgaan voor a...

Lees verder
1998
2021-11-29
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Gezicht

1. een - hebben als het achterbalkon van een tram, erg lelijk zijn. Al vermeld door Mesters. Syn. een gezicht hebben als de achterkant van een tram. Staaltjes van ruwe volkshumor. Vgl. Engels slang a face like the back of a bus/tram-, aface like the rear end ofa cow/the side of a house-, aface that would stop a bus (orclock).De meeste van deze (Eng...

Lees verder
1990
2021-11-29
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

gezicht

gezicht - Verwijst naar voorstellingen van plaatsen of dingen, doorgaans op vrijwel tweedimensionale media zoals prenten, tekeningen, schilderingen, foto's of bas-reliëfs. De term wordt meestal gebruikt om een voorstelling gemaakt vanuit een bepaald gezichtsveld te onderscheiden van andere informatievormen zoals diagrammen, werktekeningen...

Lees verder
1981
2021-11-29
Lexicon der Natuurgeneeskunde

Vraagbaak voor het moderne gezin (Uitgave Milinda Uitgevers, 1981)

Gezicht

het voorste deel van het hoofd, waarop geen hoofdhaar groeit. Het g. is de drager van de menselijke uitdrukking. Op grond daarvan kan men conclusies trekken betreffende constitutie, karakter, aanleg en ziekten (fysiognomiek). In engere zin wordt met gezicht de gezichtszin bedoeld, als werkzaamheid van de ogen, evenals het innerlijk schouwen bij hel...

Lees verder
1973
2021-11-29
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gezicht

o. (-en), 1. het zien: op (of bij) het — van die ellende werd hij met medelijden vervuld; op het eerste -, bij het voor-het-eerst-aanschouwen: op het eerste hield ik het vraagstuk voor onoplosbaar; liefde op het eerste —; op het eerste iets spelen (of zingen), van het blad, zonder van tevoren dat muziekstuk te hebben bestudeerd; 2. het...

Lees verder
1952
2021-11-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gezicht

s.n., antlit (it), gesicht (it), wêzen (it); (gezichtsvermogen), sjen (it), sjoene (it); vlak in het —, eachlings; een scherphebben, tûk sjen; lelijke -en trekken, gnize, rare grysjes Iûke, rare minen meitsje; iem. vankennen, immen fan oansjen(de) kenn...

Lees verder
1937
2021-11-29
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

gezicht

o.; in bet. 4 en 5 -en (1 het zien; 2 uitzicht; 3 het zintuig, waarmede men ziet; 4 aangezicht; 5 visioen): 1. hij ontstelde op het gezicht van den agent; zegsw. iem. uit het gezicht verliezen, a) hem langzamerhand niet meer kunnen zien, b) onbekend raken met zijn lot; uit het gezicht verdwijnen, zijn, oog; 2. dat bosje beneemt ons het gezicht;...

Lees verder
1933
2021-11-29
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Gezicht

1) → Aangezicht; 2) het vermogen om te zien, d.w.z. kleur, licht en ruimte v/e voorwerp waar te nemen. → Oog.

Lees verder
1933
2021-11-29
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gezicht

Gezicht - A) Bij den mensch. Het gezichtszintuig (Lat. visus) heeft de taak om door juiste breking der lichtstralen een scherp beeld van het waar te nemen voorwerp te vormen en dit te doen opnemen door het periphere zenuwstelsel. Door de voortgeleiding van de opgenomen lichtprikkels naar het centraal zenuwstelsel en de verwerking van den verkregen...

Lees verder
1928
2021-11-29
Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Gezicht

Onder het gezicht of beter gezegd het gezichtsvermogen verstaan we het vermogen, om door middel van het oog de dingen om ons heen waar te nemen, zowel wat hun vorm als hun kleur betreft. De bemiddelaar of schakel tussen voorwerp en oog is het licht. Het licht ontstaat door het trillen van den aether; lichtverschijnselen zijn dus aethergolven van ve...

Lees verder
1926
2021-11-29
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gezicht

wordt in de Schrift gebruikt van de oogen (Gen. 2 : 9; 30 : 40; Ex. 10:5, 15; Lev. 13 : 12; Num. 22 : 5, 11 ; Deut. 28 : 34, 67; Job 33 : 21; Pred. 5 : 10; Jes. 11 : 3; Luc. 4 : 19; 7 : 21); in den zin van nabijheid (Gen. 33 : 18; Richt. 16 : 3; Openb. 12 : 14); maar vooral in de beteekenis van verschijning, en dan bepaaldelijk van een verschijning...

Lees verder
1898
2021-11-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gezicht

GEZICHT, o. (-en), het zien op (of bij) het gezicht dier ellende werd hij met weemoed vervuld; op het eerste gezicht, bij het voor het eerst aanschouwen op het eerste gezicht hield ik het vraagstuk voor onoplosbaar: op het eerste gezicht iets spelen (of zingen), van het blad, zonder van te voren dat muziekstuk te hebben bestudeerd; — een der...

Lees verder
1898
2021-11-29
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Gezicht

zie Aangezicht.