Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

ORGANISCHE CHEMIE

betekenis & definitie

is een benaming, daterend van ca 1830, toen men dacht, dat de in de organische natuur voorkomende stoffen als suikers, vetten enz. slechts onder de invloed van een bepaalde levenskracht opgebouwd konden worden en dat deze synthese in het laboratorium onmogelijk zou zijn. Men scheidde dus de organische chemie, die deze verbindingen behandelde, van de anorganische chemie.

In 1824 synthetiseerde Wöhler oxaalzuur, en in 1828 ureum, in 1845 Kolbe azijnzuur en in 1855-1880 Berthelot een reeks van stoffen als alkohol, vetten, benzol; het geloof aan de levenskracht verdween en organische chemie werd de chemie van de koolstofverbindingen, waarbij koolmonoxyde, kooldioxyde, koolzuur, carbonaten en zwavelkoolstof gewoonlijk nog tot de anorganische chemie worden gerekend. Om practische redenen blijft de scheiding bestaan:1. Het aantal anorganische verbindingen (60 000) neemt slechts weinig, het aantal organische verbindingen (meer dan 800 000) dagelijks en sterk toe;
2. In anorganische verbindingen worden de atomen en groepen veelal door ionbinding, in organische door atoombinding te zamen gehouden (z chemische binding);
3. Het verschijnsel van isomerie is in de anorganische chemie grote uitzondering, in de organische regel;
4. Alleen koolstofatomen schijnen in staat zich onbeperkt met elkander te kunnen verbinden (in rubbermoleculen zeker meer dan 100 000!).

De grondleggende theorie der organische chemie is de leer van de verbinding der atomen, de structuurchemie, en op grond hiervan verdeelt men de groep der verbindingen in de alifatische verbindingen en de cyclische verbindingen, terwijl de macromoleculaire chemie, de chemie der zeer grote moleculen, voor het overgrote deel ook organische chemie is (z ook chemie).

DR J. VAN ALPHEN.

< >