Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 24-01-2022

Aristophanes

betekenis & definitie

Atheense blijspeldichter, leefde ± 445-385 v. Chr.; zijn eerste blijspel werd opgevoerd in 427, dus in het begin van de Peloponnesische oorlog, waarop zijn stukken herhaaldelijk betrekking hebben.

Van de 44 blijspelen, vaak naar het erin optredende koor genoemd, zijn 11 bewaard:1. De Acharnensers, waarin de held van het stuk, Dikaiopolis, een afzonderlijke vrede voor zich verkrijgt, ondanks de tegenstand van de kolenbranders uit het Attische dorp Acharnae, die het koor vormen;
2. De Ridders, waarin hij den volksleider Cleon aan de kaak stelt;
3. De Wolken, waarin hij Socrates ten onrechte als sophist en natuurfilosoof bespottelijk maakt;
4. De Wespen, een scherpe aanval op de belustheid van vele Atheners om als rechter in de volksrechtbank (Heliaia) op te treden;
5. De Vrede (431), waarin eindelijk de in een hol opgesloten Vrede wordt bevrijd;
6. De Vogels (414), waarin twee Atheners uit de ellende hunner stad naar het hooggelegen Vogelrijk vluchten en daar de heerschappij over de wereld vestigen, het meest luchtige en lyrische blijspel van Aristophanes;
7. Lysistrata, waarin de vrouwen de mannen tot het sluiten van de vrede dwingen ;
8. De Thesmophoriazusae, tegen Euripides gericht;
9. De Kikvorsen, waarin Dionysos in de onderwereld afdaalt, om Euripides naar de bovenwereld terug te brengen; na een wedstrijd tussen deze en Aeschylus valt de keuze op laatstgenoemde, terwijl Sophokles als zijn plaatsvervanger in de onderwereld wordt aangewezen;
10. Ekklesiazusae, waarin de vrouwen de regering van de mannen hebben overgenomen;
11. Ploutos, d.i. de god van de rijkdom, die blind is, doch weer ziende wordt gemaakt, zodat hij bij de goede mensen terechtkomt; in dit stuk speelt het koor een zeer ondergeschikte rol.

Zelf conservatief, hekelt hij in zijn stukken zowel de radicale democratie en de demagogen, als de nieuwe stromingen op het gebied van godsdienst, ethiek, opvoeding, poëzie en muziek en de vertegenwoordigers daarvan, gebruik makende van de bijna onbeperkte vrijheid der oude comedie om de spot te drijven met mensen en zelfs met góden. Hij deed dit met de bedoeling, om voor het bestwil van zijn medeburgers verbetering te brengen in datgene, wat hij verkeerd achtte. In een bepaald gedeelte van de comedie (de parabasis) richtte hij zich bij monde van het koor zelf tot het publiek. Zijn kunst bestaat in zijn prachtige Attische taal, de verrassende en phantastische opzet van het stuk, zijn woordspelingen en parodieën, zijn meesterschap als verskunstenaar, zijn geniale invallen en uitbundige (zij het ook vaak obscene en platte) geestigheid. PROF. DR w.

J. w. KOSTER

Bibl.: Uitgaven J. van Leeuwen, Leiden 1885-1906 (met Latijnse commentaar); Coulon en Van Daele, Paris 1923-1930 (met Franse vertaling). Goede vertalingen leverden J. G. Droysen (in het Duits) en A. Willems (in het Frans). Bij de „Vogels” (vert. Deknatel) componeerde Diepenbrock muziek.

Lit.: A. Gouat, Aristophane et l’ancienne comédie attique (Paris, 3de dr. 1903); M. Croiset, Aristophane et les partis k Athènes (Paris 1906); J. van Leeuwen, Een dichterleven (Leiden 1909); W. Süss, Aristophanes und die Nachwelt (Leipzig 1911); G. Murray, Aristophanes, a Study (Oxford 1933); Q- Cataudella, La poesia di Aristofane (Bari 1934); V. Ehrenberg, The people of Aristophanes, A Sociology of Old Attic Comedy (London 1943).