Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 04-07-2022

Kaak

betekenis & definitie

(1) Bepaalde, bij de onderscheidene diersoorten verschillende, differentiaties van de randen der mondopening worden kaken genoemd. Haar vorm en de tanden, waarmee zij in vele gevallen voorzien zijn, kunnen als een kenmerk der soort worden gebruikt.

Bij de zoogdieren dienen de kaken zowel voor de verdediging van het individu (bijten) als voor het in de mond opnemen en verkleinen (afbijten en kauwen) van het voedsel. Aan de kaken van de mens, tot welker bespreking wij ons hier beperken, worden onderscheiden de bovenkaak, die uit twee bovenkaaksbeenderen (maxillae) is samengesteld, en de onderkaak, die uit een niet-parig beenstuk, de mandibula, bestaat. De bovenkaaksbeenderen bestaan uit een lichaam, dat 4 uitsteeksels draagt, nl. het alveolaire uitsteeksel, waarin de bovenkaakstanden zijn geïmplanteerd, het verhemelte-uitsteeksel, dat het voorste deel van het benig monddak vormt, het jukbeenuitsteeksel, dat aansluit aan genoemd been, en het voorhoofdsuitsteeksel, dat o.a. deelneemt aan de vorming van de oogkas schedel). Het lichaam van de maxilla bevat een holte, de kaakholte of het antrum Highmori, dat met de neusholte als zgn. bijholte in verbinding staat en evenals deze met slijmvlies is bekleed.De onderkaak bestaat uit een horizontaal stuk, waarin de tanden van de onderkaak, met ter weerszijden een opstijgende tak, die in twee uitsteeksels eindigt. Het achterste daarvan vormt met het gewrichtsvlak van het slaapbeen het kaakgewricht. Aan de onderkaak hechten zich de kauwspieren en enkele kleinere spieren. Men onderscheidt de grote, uitwendige kauwspieren, met name de slaapkauwspier, die van de slaaps treek aan de schedel ontspringt en bevestigd is aan het voorste uitsteeksel van de onderkaakstak, en de wangkauwspier, die van de jukboog ontspringt, vrijwel de hele opstijgende tak van de onderkaak bedekt en aan dit been is vastgehecht. De inwendige kauwspieren, nl. de binnenste en buitenste vleugelspieren, de kaak-tongbeen-, de kin-tongbeen- en de tweebuikige spieren insereren aan het binnenvlak van de onderkaak. Het heffen van de onderkaak, m.a.w. het sluiten van de mond, geschiedt door de samenwerking van de grote uitwendige kauwspieren en de binnenste vleugelspieren. Het openen gebeurt onder invloed van de zwaartekracht, wanneer de sluitspieren niet gecontraheerd zijn; daarbij helpen de kaak- en kin-tongbeenspieren en de tweebuikige spieren.

De mond kan echter gesloten blijven zonder dat de kauwspieren zich samentrekken, door de atmosferische druk van buiten. Door samentrekking van de buitenste vleugelspieren wordt de onderkaak naar voren, door die der binnenste achterwaarts getrokken. Ook de dwarse bewegingen komen door de werking van deze spieren tot stand.

Wat ziekten der kaken betreft, er kunnen allerlei aandoeningen ontstaan, die eveneens in andere skeletdelen voorkomen (z beenziekten). Te noemen zijn bijv. de kaakontwrichting (z ontwrichtingen), fracturen, ontstekingen, die hier door de aanwezigheid der tanden veelvuldiger zijn dan elders, en gezwelvorming. De bovenkaaksholte kan de zetel zijn van ontstekingsprocessen, soms van etterophopingen (empyeem).

DR J. VAN NIEKERK

Kaakklem of trismus is het verschijnsel, dat de mond niet of bijna niet kan worden geopend ten gevolge van de krampachtige samentrekking der kauwspieren. Dit kan een vroeg symptoom zijn van stijfkramp of tetanus. Kaakklem komt eveneens voor bij het peritonsillaire absces, dat ontstaat door een etterige ontsteking in en om een keelamandel; deze ontsteking ligt vlak bij het kaakgewricht en belemmert de functie van dit gewricht. Verwondingen en littekens in de kauwspieren of vergroeiingen van het kaakgewricht, na ontstekingen of verwondingen, kunnen het openen van de mond blijvend belemmeren.

(2) of schandpaal, was in het strafrecht van het Ancien Régime de meest verbreide erestraf.

De schandpaal stelde zinnebeeldig de lagere rechtsmacht voor in tegenstelling tot de galg, het symbool der hogere rechtsmacht. Vermoedelijk bestond de schandpaal eerst uit een ton, later uit een stenen of houten verhevenheid, opdat het volk de veroordeelde beter zou kunnen zien. De delinquent werd gewoonlijk met een ijzeren halsband of ring en met korte kettingen vastgeklonken en aldus aan de algemene bespotting prijsgegeven. Deze straf werd vooral, doch niet uitsluitend, toegepast op hen, die zich aan feiten met een onterend karakter hadden schuldig gemaakt. De tenuitvoerlegging had plaats op een marktdag en op de uren, wanneer zich veel mensen op straat bevonden. Een bord met een opschrift op de borst van de gestrafte deed de gemeenschap kond van het misdrijf.

Zinnebeeldige aan het misdrijf herinnerende voorwerpen kwamen er soms bij te pas. Een verzwaarde vorm van de tepronkstelling verving soms bij wijze van genade een andere verdiende straf. De schandpaal diende ook om er afgesneden handen, oren, vingers en dgl., aan vast te spijkeren, of vals geld en valse gewichten aan te hangen, of om de namen der voortvluchtigen bekend te maken. Door de wet van 29 Juni 1854 (Stbl. no 102) werd deze straf in Nederland afgeschaft, in België was zij reeds sinds de eerste helft der 19de eeuw in onbruik.

DR L. TH. MAES

Lit.: G. Bader-Weisz en K. Bader, Der Pranger. Ein Strafwerkzeug und Rechtswahrzeichen des Mittelalters (Freiburg 1935).

< >