Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

EURIPIDES

betekenis & definitie

naast Aeschylus* en Sophokles* de derde grote vertegenwoordiger van de Griekse tragedie (ca 480-406 v. Chr.), was uit welgestelde, maar niet adellijke familie geboren, ontving een voortreffelijke opvoeding en stelde zich terdege op de hoogte van alles wat wetenschap en kunst van zijn dagen onder de aandacht brachten.

Hij is een van de eersten van wie bekend is, dat hij een grote bibliotheek heeft bezeten. Van zijn leven is overigens weinig te melden, hij heeft enkel voor zijn kunst geleefd. In de smaak van de Atheense kamprechters is zijn werk niet gevallen: slechts vijfmaal heeft hij de ereprijs verkregen. Op het einde van zijn leven heeft hij de uitnodiging van koning Archelaos aangenomen om in Macedonië te komen, waar hij ook gestorven is.Van de 92 stukken, die de Oudheid van hem kende, zijn ons 18 tragedies en 1 satyrdrama bewaard. De tragedies zijn: Alcestis (438), Medea (431), Hippolytus (428), Hecuba, Andromache, Herakliden, Smekelingen, Trojaanse vrouwen (415), Herakles, Iphigenia in Taurië, Ion, Helena (412), Electra (413), Phoenicische Vrouwen (410?), Orestes (408), Iphigenia in Aulis en Bacchen (na zijn dood opgevoerd). Of de Rhesus inderdaad van Euripides is, wordt betwist. Het satyrdrama is de Cycloop, waarin het avontuur van Odysseus bij Polyphemos wordt voorgesteld.

In het werk van Euripides, die zijn onderwerpen uiteraard blijft zoeken in de mythische tradities, waaruit ook zijn voorgangers hebben geput, begint zich toch een tendentie te openbaren, die de latere ontwikkeling van het treurspel kenmerkt, nl. een zekere voorkeur voor het leed dat de liefde brengt. De harmonische structuur van Sophokles’ drama’s vinden wij bij Euripides maar zelden; de proloog is vaak gereduceerd tot een droge opsomming van feiten en het procédé van de deus ex machina (een goddelijke figuur, die door zijn machtwoord een onontwarbare situatie tot soms willekeurige ontknoping brengt) past hij veelvoudig toe. Een en ander is het gevolg van het feit, dat Euripides slechts wezenlijke belangstelling koestert voor een aspect van het tragische geheel, nl. het psychologische. Het menselijk hart is voor hem hoofdzaak en met huiveringwekkende kracht schildert hij mensen, die lijden ten gevolge van hun verwrongen, vergiftigd of ziekelijk karakter, van het demonisch-hartstochtelijke, dat hen bezielen kan. De diepste schuilhoeken van het menselijk hart brengt hij meedogenloos aan het licht. Dit is echter niet een gevolg van negativisme; veeleer ziet hij de tekortkomingen zo sterk, omdat hij zo hoge idealen als maatstaf stelt. Dit geldt met name ook voor zijn godsbeschouwing: scherp zijn de protesten, die hij meer dan eens laat horen tegen opvattingen en gebruiken van religieuze aard, met name ook tegen de traditionele verhalen omtrent de goden; maar zij komen juist voort uit een zeer hoge en zuivere beschouwing van de goddelijke wereld. Euripides staat daarnaast sterk onder de invloed van de sophistiek; hij laat zijn personages, soms tot schade van de dramatische spanning, discussiëren over mens, gezin, maatschappij, staat en godsdienst. Zijn vlijmscherp intellect en zijn overgevoelig hart vormen de twee, moeilijk tot evenwicht te brengen persoonlijke eigenschappen, die aard en strekking van zijn werk bepalen. Als kunstenaar verdient hij hoogste bewondering om de kracht van de uitbeelding, mogelijk gemaakt door een meesterlijk hanteren van de taal. Zijn tragedies zijn sterk dramatisch van aard, geheel op het spel ten tonele ingesteld; het lyrische element er in is beperkt, in vergelijking met de treurspelen van zijn voorgangers; maar waar het pas geeft, komt in koorliederen en melodieën een kracht van lyrische bezieling naar voren, die niet te overtreffen is.

Al meer en meer is Euripides in de Oudheid de meest bewonderde tragicus geworden; zijn werken bleven, zij het hier en daar gewijzigd, het publiek trekken. De zgn. Nieuwe Comedie is ontstaan onder directe invloed van zijn werk.

PROF. DR B. A. VAN GRONINGEN

Bibl. (uitgaven) : Prinz-Wecklein (Leipzig 1878-’92) ; Nauck (Leipzig, 3de dr., 1892-’95) ; Murray (m. vert, in verzen, Oxford 1902-’10) ; Méridier-Grégoire-Parmentier (met Franse vert.) (Parijs 1923-’27). Talrijke gecomment. uitg. der afzond, tragedies. Papyrusfragmenten bij H. v. Arnim, Supplementum Euripideum (Bonn 1915).

Lit.: K. Kuiper, Wijsbegeerte en Godsdienst in het drama van E. (Haarlem 1881); H. Steiger, Euripides, seine Dichtung und seine Persönlichkeit (Leipzig 1912); P. Decharme, Euripide et l’esprit de son théâtre (Paris 1893) ; D. F. W. van Lennep, Euripides (A’dam 1935) ; G. M. A. Grube, The drama of E. (London 1941, met nuttige bibliogr. aan het slot); A. Riviez, Essai sur le tragique d’E. (1944).