Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

DORP

betekenis & definitie

een der nederzettingsvormen van de plattelandsbevolking en als zodanig in het gewone spraakgebruik meestal een meer of minder dichtopeengebouwde huizenagglomeratie, waarin zowel de boerenhoeven als de woningen van de landarbeiders en van voor de locale behoeftevoorziening onontbeerlijke ambachtslieden en neringdoenden op verschillende wijzen kunnen zijn gegroepeerd. Deze definitie, welke in de eerste plaats op de visuele verschijning van het dorp betrekking heeft, is echter niet voldoende.

Enerzijds maakt het agrarische karakter van deze landelijke nederzettingsvorm het noodzakelijk, dat het begrip „dorp” niet wordt beperkt tot de huizenagglomeratie, maar dat het moet worden uitgebreid tot de landerijen, behorende tot de in het dorp gevestigde agrarische bedrijven, waarvan zij het essentiële deel uitmaken. Terecht classificeert A. Demangeon dan ook de landelijke nederzettingsvormen naar de ligging van de cultuurgrond t.o.v. de bedrijfsgebouwen binnen het door de groep geoccupeerde gebied. Hierbij maakt hij dan onderscheid tussen twee extreme typen, nl. de geconcentreerde nederzettingen, waarin de woningen een meer of minder dichte agglomeratie vormen, welke gescheiden is van de tot de nederzetting behorende cultuurgrond, en de verspreide nederzettingen, waarbij de boerderijen te midden van de daarbij behorende landerijen zijn gelegen, en min of meer gelijkmatig over het landschap zijn verspreid, terwijl agglomeraties van woningen geheel ontbreken of slechts in zeer kleine omvang aanwezig zijn.Anderzijds echter dient men zich te realiseren, dat, wanneer men de boerenhoeven en ten dele ook de woningen van de landarbeiders uitschakelt, de overige genoemde gebouwen binnen de nederzetting, die daarvan een essentieel deel uitmaken en waaraan nog de kerk, de school, het postkantoor enz. kunnen worden toegevoegd, tevens een zekere functie van het dorp representeren, welke met de term „verzorgend” kan worden gekenschetst. Zelfs wanneer men de dorpen buiten beschouwing laat, die de vestigingsplaats van een of meer industriële bedrijven zijn, welke het dorpskarakter dientengevolge hebben gewijzigd, valt ook in een zuiver agrarisch gebied het dorp uiteen in deze beide elementen, nl. het„verzorgende” en het „(agrarisch)-productieve” element, welke in hun onderlinge verhouding bepalend zijn voor het aspect, en ten dele ook voor de omvang van het dorp. Is het dan ook mogelijk voor de classificatie van de landelijke nederzettingen in het algemeen, het principe van Demangeon te volgen, voor de classificatie van de dorpen in de zin van huizenagglomeraties, is het niet mogelijk aan de functionele aspecten daarvan voorbij te gaan. Eerst in derde instantie kan daarop volgen een classificatie van deze huizenagglomeraties naar haar meer of minder sterke samenballing, naar de groepering, der functionele elementen binnen de agglomeratie, naar de plattegrond, naar de huistypen enz.

Het vraagstuk van een onderscheiding der dorpsvormen wordt nog gecompliceerder, doordat Demangeon het vraagstuk van het „gehucht” buiten beschouwing laat. Bij de door hem onderscheiden „geconcentreerde nederzettingen” is het dorp in laatste instantie een functie van de oppervlakte cultuurgrond. Echter deze functie werkt niet alleen in kwalitatief, doch ook in kwantitatief opzicht, in die zin, dat de grootte van het dorp door de beschikbare oppervlakte cultuurgrond wordt bepaald. Dit betekent, dat zelfs bij de meest zuivere typen van de geconcentreerde nederzettingsvormen, nl. bij de villages à champs assolés (zie hierna) er een afdaling van een groot dorp tot een gehucht kan bestaan, zonder dat in kwalitatief opzicht het wezen van de nederzetting daardoor verandering ondergaat. Daartegenover staat, dat de grootte van het dorp ook bepaald wordt door de mate van ontwikkeling van de verzorgende functie, vooral wanneer deze zich in een gebied met verspreide bewoningsvormen tendeert zich over een groter gebied dan het dorp zelf uit te strekken.

M.a.w., van het gezichtspunt der verzorgende functie uit, is een opstijging van een gehucht tot een dorp mogelijk. De classificatie van Demangeon volgende, kunnen bij de geconcentreerde nederzettingen drie typen worden onderscheiden:
1. Dorpen, waarbij de bouw- en weilanden in meer of minder gesloten complexen in de nabijheid van het dorp gelegen zijn (villages à champs assolés) en die in hun oorsprong teruggaan tot de tijd van het drieslagstelsel, waarbij het bouwland in drie delen wordt verdeeld, die beurtelings een jaar met zomerkoren en een jaar met winterkoren worden bebouwd en vervolgens een jaar braak liggen, waardoor zowel voor de voeding van de mens als van de veestapel wordt gezorgd, doordat de braak evenals de stoppelweide de gemene weide (en daarmede tevens gemeenschappelijk bemestingsobject) voor het gehele dorp vormt. Bij deze vorm van grondgebruik vormt de cultuurgrond een meer of minder uitgestrekte en bijna boomloze vlakte, zonder afscheiding tussen de verschillende percelen door middel van hekken of hagen. De noodzakelijkerwijze met deze vorm samengaande gelijktijdige bebouwing, gelijktijdige oogst en zeer waarschijnlijk ook de gemeenschappelijke allereerste oirbaarmaking van de bodem vereisten een solidariteit van de agrarische groep, die daardoor als vanzelf reeds werd gedwongen in dorpen samen te wonen. Deze samenwoning bleef in de meeste gevallen ook bestaan, toen later het grondbezit en de vormen van bodemgebruik meer individualistisch waren geworden.

Tot dit type, waarvan de ouderdom in Engeland minstens tot de 7de eeuw, in Duitsland tot de 8ste eeuw en in Frankrijk tot de 9de eeuw kan worden teruggevoerd, behoren in Duitsland de dorpen van de Zwabische kalkhoogvlakte, de vlakten van de Boven-Rijn, van Moravië, Thüringen, Westfalen (Hellweg), in Frankrijk en België die van de vlakten van Lotharingen, Picardië, Champagne, Beauce en Hesbaye. In deze gebieden, waar goede cultuurgrond in voldoende mate aanwezig is, zij het dan ook dat deze op de oorspronkelijke bosbedekking moest worden veroverd, kan men de dorpen kenschetsen met de Duitse term Haufendörfer, waarbij de huizen ordeloos en dicht op elkaar gebouwd dooreen staan, en waarvan de Platzdörfer (de huizen gegroepeerd om een plein of vijver) slechts een variatie vormen en dan ook gemengd met de Haufendörfer voorkomen. Bij beide typen wordt het gehele dorp door blokken (Gewannen) bouwland, elk weer verdeeld in de smalle percelen van de individuele eigenaars, omgeven, die zonder onderbreking aaneensluiten, en daardoor één groot complex vormen. Van hetzelfde type zijn ook de grote landbouwdorpen van Hesbaye, samengesteld uit de grote, gesloten huizen van het (Romeinse) villa-type, waarbij woon- en bedrijfsgebouwen een gesloten geheel vormen om een centrale binnenplaats; evenzo de dorpen van Condroz en de Ardennen, die echter kleiner van omvang zijn. Van een geheel andere bouworde, doch in hun verhouding tot de ligging der bouwlanden hetzelfde, zijn de straatdorpen van Frans Lotharingen en Zuid-België, bestaande uit een straat, waarlangs de vlak op elkaar gebouwde, twee verdiepingen hoge boerenhuizen (van een enkelvoudig type, maar waar schuur, stal en woongedeelte naast elkaar onder één dak zijn samengebracht) a.h.w. één gevel vormen, terwijl de straat zelf een deel van het bedrijf geworden is, alwaar voor de huizen de mesthopen zijn gelegen, de houtvoor raad ligt opgestapeld en de wagens worden gestald. Voorts moeten tot dit type worden gerekend in Frankrijk de kleine, bijna tot gehuchten samengedrongen dorpen uit de vlakte van de Elzas, om Straatsburg, en o.m. de compact gebouwde straatdorpen van Béarn. Ook in Engeland vormden deze gesloten dorpen met hun omringende complexen bouwland („open field”) de aanvankelijke nederzettingsvorm, totdat deze in latere tijd door een meer verspreide bewoningsvorm werd vervangen.

In gebieden waar goede cultuurgrond minder overvloedig aanwezig was, zoals bijv. in de vergletsjerde gedeelten der Noordduitse laagvlakte en in Nederland, hebben deze Haufendörfer een lossere structuur, en worden deze aangeduid met de naam esdorpen, waarbij de bouwlandcomplexen, de essen, zich met de Gewannen laten vergelijken. Deze essen, waarover het individuele bezit in talloze kleine percelen verspreid ligt, en door akkermaalshout zijn omgeven, zijn nl. op de gunstigste plaatsen aangelegd en werden aanvankelijk door meer of minder grote stukken woeste grond gescheiden. De evenals de es oorspronkelijk gemeenschappelijke wei- en hooilanden nemen meest de lagere delen van het terrein in (bijv. langs riviertjes), terwijl daarbuiten het oorspronkelijk gemeenschappelijke „veld” lag. De dorpen bestaan ook hier uit ordeloos door elkaar gebouwde hoeven, doch in tegenstelling tot het meer samengepakte Haufendorf, zijn zij in de esdorpen gescheiden door grotere of kleinere met bomen beplante open ruimten (in Drente brinken genoemd), waarover de voetpaden lopen, waarvan er enkele later zijn verbreed en tot wegen zijn verhard. Martiny beschouwt de esdorpen als het meest oorspronkelijke dorpstype en meent, dat de Haufendörfer niet anders dan uitgegroeide esdorpen zijn.

2. Dorpen, waarin voor elke hoeve zorgvuldig het contact met de bijbehorende landerijen is bewaard (villages à champs contigus) en die daardoor het stempel dragen van een bewuste kolonisatorische arbeid uit latere tijden (middeleeuwen en later). Bij deze dorpen liggen links en rechts van de weg naast elkaar de verschillende hoeven, waarvan de landerijen in een lange strook, bestaande uit de verschillende achter elkaar gelegen percelen, van de hoeve uit „opstrekken” tot aan de grens van het in cultuur gebrachte gebied. Waar zich in zulke dorpen tevens een verzorgende functie van enigszins groter omvang heeft ontwikkeld, heeft deze zich meestal in een bepaald gedeelte van de huizenrij geconcentreerd.

Tot dit nederzettingstype behoren de weg-, streek- en dijkdorpen (Marschhufendörfer), welke hun oorsprong vinden in Vlaanderen en Holland en die door Vlaamse en Hollandse kolonisten in de Slavische delen van Duitsland tot ver beoosten de Wezer zijn verspreid (de oudste is Vahr ten N. van Bremen, gesticht in 1106) en later ook het neder zettingstype der ontgonnen hoogveengebieden zijn geworden. Verder behoren tot deze categorie de Waldhufendörfer in de in de middeleeuwen gerooide bosgebieden van Duitsland, en welke typisch zijn voor het Zwarte Woud, het Odenwoud, Ertsgebergte, Sudeten, Bohemerwoud, Silezië en voor delen van Slowakije, terwijl men buiten Duitsland dit nederzettingstype o.m. aantreft in het noordelijk deel van het Pays de Caux (Normandië) en Neder-Canada, waar het door Franse kolonisten is geïmporteerd. Hierbij dient echter te worden opgemerkt, dat, waar in bergachtige streken deze Waldhufendörfer voorkomen, deze meest in de dalen worden aangetroffen, terwijl de hogere delen meer een verspreide nederzettingsvorm bezitten.

Voorts moeten volgens Schlüter bij deze categorie ook worden ondergebracht de Slavische Rundlinge (tussen Elbe en Oder) en verder de Strassendörfer, die voor het gebied ten O. van de Oder en verder voor het gehele Slavische Oosten van Europa karakteristiek zijn. Bij de Rundlinge zijn de hoeven gegroepeerd om een rond of ovaal en door slechts één straat toegankelijk plein, waarop ’s nachts het vee kon worden samengedreven. Achter de hoeven strekken de tuinen straalsgewijze op tot aan de heining welke het gehele dorp omgeeft (omgaf); daarbuiten liggen dan de akkers. Hetzelfde principe heerst bij de Strassendörfer, met dit verschil, dat hier de hoeven aan een het gehele dorp doorlopende straat zijn gelegen, waardoor de nederzetting meer een rechthoekige vorm verkrijgt. Hun afgeslotenheid danken deze dorpen aan de in vroegere tijden veel sterker sprekende behoefte aan veiligheid, maar de van het dorp uit opstrekkende percelen (bij de Rundlinge waaiervormig) wijzen volgens Schlüter op een kolonisatievorm.

3. Dorpen, waarbij geen direct contact meer tussen het dorp en de landerijen bestaat (villages à champs dissocies). Dit type komt vooral daar voor, waar het dorp om veiligheidsredenen op een daarvoor gunstige plaats moest worden gebouwd, terwijl de bouwlanden er op grotere afstand van verwijderd lagen. Voorbeelden hiervan bieden Zuid-Frankrijk (de Bergamasker Alpen) of, waar zoals in Zuid-Italië de grondeigenaren alle handwerk in de grote landbouwsteden concentreerden, zodat de landarbeider soms afstanden van 20 à 30 km moest afleggen om de door hem te bewerken gronden te bereiken (bijv. in Apulië: Canosa, Andria, Bitonto, Corato; op Sicilië: Caltanisetta, Caltagirone). Bij deze grote landbouwdorpen verminderde later het inwoneraantal aanzienlijk, toen het de landbouwers werd toegestaan, boerderijen te midden van het landbezit aan te leggen.

De verspreide nederzettingsvormen laten zich op grond van hun ouderdom en van de ontwikkelingsstadia van de landbouw, waarmede zij in nauw verband staan, in een viertal categorieën onderverdelen:

a. Oud-primaire nederzettingsvormen (dispersion primaire d’âge ancien). Deze zijn kenmerkend voor gebieden, waar voor bouwland geschikte gronden niet in grote uitgestrektheden aanwezig zijn, doch in kleine stukken over het gebied verspreid liggen, gescheiden door woeste gronden als heiden, bossen, venige heiden, venen enz. In zulke gebieden liggen de boerenwoningen (eventueel door bomen omgeven) verspreid over het landschap, te midden van haar landerijen, die — hetzij bouw- of weilanden — door bomen, hagen of boswallen zijn omgeven, ten gevolge waarvan het landschap een veel meer „gesloten” karakter verkrijgt. In een zeer extreme vorm vinden wij dit type in het bergland van Noorwegen, waar de grote, uit meerdere gebouwen bestaande familiehoeven (gaard) zeer los over het land verspreid liggen, en waar ook nu nog de huizenagglomeraties zeer gering zijn, en zelfs de kerk dikwijls niet het aanzien aan een dichtere samenwoning heeft gegeven. Elders liggen tussen deze verspreide hoeven kleinere of grotere kerkdorpen, tevens in meer of mindere mate verzorgingscentra. In deze vorm is deze verspreide nederzettingsvorm kenmerkend voor Ierland, voor het Westen van Engeland (Schotland, Wales, Cornwallis en Devon), voor Bretagne, westelijk Normandië, voor Segalas, Roussillon, voor de Vogezen, delen van de Noordduitse laagvlakte, voor het Bohemerwoud, de Duitse Alpengebieden, en de Dinarische gebergten van de Balkan. Buiten Europa treffen wij dit type o.m. aan in Mexico, waar de verspreide hoeven (ranchos) der bergachtige streken of de minieme gehuchten (rancherias) een scherp contrast vormen met de uitgestrekte hacienda’s met haar dorpen van peones, en verder in de westelijke delen van India, terwijl het Oosten meer gesloten nederzettingen heeft.
b. Aanvullende verspreide nederzettingen (dispersion intercalaire). In tegenstelling met de eerstgenoemde categorie zijn dit jongere vormingen, welke de ruimten tussen de landerijencomplexen der gesloten nederzettingen opvullen. Zij zijn dan ook kenmerkend voor later ( 11de en 12de eeuw en later) in cultuur gebrachte gebieden, waarbij het opvallend is, dat de hoeven welke dit type uitmaken, veelal een persoonsnaam dragen, een verschijnsel, dat zowel in Frankrijk als in Nederland kan worden waargenomen. In Frankrijk treffen wij dit type aan in de dep. Bas-Maine, Mayenne, in de landschappen Puisaye en Gâtinais (dep. Yonne), in Duitsland in Westfalen en in de heuvelachtige gebieden, die het Main- en Neckardal omgeven, in Zwitserland in de Jura (Aarau en Olten).
c. Secundaire verspreide nederzettingsvormen (dispersion secondaire). Dit type ontstaat door degeneratie van geconcentreerde nederzettingsvormen, zoals de tanya in Hongarije, die, gelegen te midden van de landerijen aanvankelijk de zomer- en seizoenswoning vormt voor de bewoners der grote boerensteden van de vlakte, de tendentie vertoont zich tot een permanente nederzetting te ontwikkelen, aangevuld met jongere kolonistennederzettingen. Een soortgelijke ontwikkeling valt waar te nemen bij de Egyptische dorpen, bij de dorpen van Provence, waar men bij de toenemende veiligheid de villages à champs dissociés kon verlaten, in Zweden, waar dit verschijnsel sedert de 17de eeuw valt waar te nemen in verband met de ruilverkaveling, en vooral in Engeland, waar het „open field” vervangen werd door de „enclosures”, de geconcentreerde landerijen, die omheind werden, en waarheen zich de hoeve verplaatste, terwijl talrijke dorpen tenietgingen.
d. Recent-primaire verspreide nederzettingen (dispersion primaire d’âge récent). Daar, waar door het ophouden van de noodzaak van verdediging, bescherming enz. de moderne vormen van kolonisatie zich ten volle kunnen realiseren, vindt dientengevolge de landelijke nederzetting in de vorm van verspreide hoeven plaats, waartussen dan kleine kernen met een verzorgingsfunctie zich ontwikkelen. Van zodanige aard is de nederzettingsvorm in de nieuwe polders van Nederland en België, in de kortelings drooggelegde moerassen van Poitou, en in de nieuwe kolonisatiegebieden van Canada, Siberië, van de V.S., van Zuid-Afrika, Australië en Argentinië. Een goed voorbeeld levert laatstgenoemd land, waar de grote veebedrijven (estancias) en akkerbouwbedrijven (chabras) los verspreid liggen over het land en slechts afwisselen met de boliches, die tegelijk de functie van herberg, warenhuis en credietinstelling vervullen.

Tracht men de classificatie van Demangeon toe te passen op de landelijke nederzettingsvormen van Nederland, dan kan onmiddellijk worden opgemerkt, dat niet alle typen daarvan vertegenwoordigd zijn. Zo ontbreken bijv. de villages à champs dissociés, terwijl ook de oud-primaire verspreide nederzettingsvormen er slechts zeer spaarzaam voorkomen.

Van de villages à champs assolés komt vnl. de variëteit der esdorpen in Nederland voor. Het zuiverst vinden wij deze ontwikkeld op het Drents plateau, met dien verstande, dat zich hier een volledige reeks van esdorpen laat onderscheiden, afdalend van een „groot” esdorp als Emmen tot een uit slechts enkele hoeven bestaand es-gehucht als Garminge en Balinge (gemeente Westerbork), welke grootte enerzijds afhangt van de oppervlakte cultuurgrond, waarover kan worden beschikt, anderzijds van de mate waarin zich in deze dorpen een verzorgingsfunctie heeft ontwikkeld. Verder kan men ook de oude kernen der nederzettingen op het Brabants-Noordlimburgse terrassenlandschap tot dit type rekenen. Terwijl echter de het eerst in gebruik genomen bouw-en weilanden meer of minder geconcentreerd in de onmiddellijke nabijheid van deze oude kernen zijn gelegen, hebben latere ontginningen meer individueel en perceelsgewijze plaatsgevonden. Daarbij hebben de nederzettingen deze ontginningen gevolgd, met het gevolg, dat langs de wegen jongere gehuchten zijn ontstaan, die in hun namen veelal de term „straat”, „steeg” of „eind” bevatten. Aangezien deze ontginningen voor een deel ook door de boeren uit de oude kern zijn geschied, mag men aannemen, dat hiermede een verplaatsing van hoeven naar de periferie van de nederzetting gepaard ging, terwijl zich de oude dorpskern meer en meer tot een verzorgingskern ontwikkelde. Als gevolg hiervan hebben verschillende Brabants-Limburgse dorpen een spinvormige plattegrond gekregen, terwijl in verschillende gevallen een aantal dorpen door deze weggehuchten tot grotere nederzettingseenheden werden aaneengesmeed. Ook in de Belgische Kempen valt deze ontwikkeling waar te nemen.

Eveneens moeten tot deze villages à champs assolés de terpdorpen van de oude zeekleigebieden van Friesland en Groningen worden gerekend, die in hun aanvankelijke vormen van bodemgebruik grote verwantschap met de esdorpen vertonen. Evenals in Drente vormt hier de beschikbare cultuurgrond de bepalende factor voor de grootte van deze terpdorpen, zodat men hier tegenover de grote terpdorpen van Groningen de talrijke kleine terpgehuchten van Westergo (Friesland) kan stellen, die reeds in de aanvang van de ingebruikneming van laatstgenoemd gebied, aan het landschap het karakter van verspreide nederzettingsvormen verleenden. Neemt men daarbij bovendien in aanmerking, dat, toen in latere tijden de verdediging tegen het buitenwater het mogelijk maakte, de hoeven uit de terpdorpen naar de onmiddellijke nabijheid van de landerijen te verplaatsen, een zekere ontvolking van de terpdorpen plaats vond, dan bestaat er alle reden toe om de nederzettingsvormen van een groot deel van dit oude zeekleigebied, met name in Westergo, als een mengvorm van de villages à champs assolés en de secundaire verspreide nederzettingen te kenschetsen. Ook de nederzettingen van de oude zeekleigebieden van de Zeeuwse eilanden, van de rivierkleidelta en de nederzettingen aan de binnenzijde van de duinen (die door de ontwikkeling van de tuinbouw en het forensenwezen wel zeer sterk zijn veranderd) vertonen een soortgelijke ontwikkeling. Ten aanzien van het verzorgingskarakter kan nog worden opgemerkt, dat tegenover terpdorpen, die ten gevolge van de secundaire ontvolking teniet zijn gegaan, andere staan, die zich in zeer sterke mate tot verzorgingskernen hebben ontwikkeld.

Een gemengd karakter dragen ook de nederzettingsvormen in het grote vergletsjerde gebied van de Veluwe, van Salland en Twente en van de Gelderse Achterhoek, waar de oorspronkelijke nederzettingsvorm uit esdorpen bestaat, doch waar de tussenruimten reeds in de middeleeuwen zijn opgevuld met aanvullende verspreide nederzettingen, deels ten gevolge van het aldaar vigerende hofmarkensysteem, waarmede veelal meer individuele vormen van nederzetting gepaard gaan. Overigens wordt het beeld hier nog vertroebeld door het feit, dat de geringe oppervlakte van voor es-aanleg geschikte gronden dikwijls een nederzettingsvorm van es-gehuchten (essenzwermdorpen, d.w.z. complexen van kleine essen, elk met 2 à 3 hoeven, bijv. Tilligte) ten gevolge had, ja zelfs van verspreide hoeven, elk met een kleine es en enkele percelen weiland (bijv. Markveld bij Neede, het Zieuwent). Over het geheel genomen draagt in deze gebieden het landschap veel meer een gesloten karakter, in tegenstelling met het „open field”-landschap van het Drents plateau.

Ten slotte behoren in deze categorie ook thuis de landbouwdorpen van het Zuidlimburgse lössplateau, die hoewel kleiner van omvang bij de geconcentreerde nederzettingsvormen van Hesbaye aansluiten en hier vooral het karakter van straatdorpen vertonen.

Verreweg het grootste oppervlak nemen in Nederland de gebieden in, die nederzettingen in de vorm van villages à champs contigus bezitten. In de eerste plaats treft men deze aan op de langgerekte zandschiereilanden, die zich ver in de omringende veen- of kleistreken uitstrekken; voorts in de jongere kleigebieden, waar zij veelal met de gang van de bedijkingen verband houden en aan het verloop van de dijken zijn aangepast. Voorts treft men deze nederzettingen in de vorm van wegdorpen aan in gebieden die een eenzijdige afhelling vertonen, zoals in de Friese Wouden, in het Oldambt, in de Langstraat enz. Hierbij doet zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat verschillende van deze nederzettingen nog herinneringen bezitten aan gemeenschappelijk gebruikte wei- en hooilanden, m.a.w. instellingen die men meer bij de op een solidariteitsprincipe gebaseerde nederzettingsvormen als bijv. de esdorpen aantreft.

Een andere variant vormen de nederzettingen in het Hollands-Utrechtse laagveengebied en in delen van het laagveengebied van Friesland en Noordwest-Overijsel, waar evenals in de jongere zeekleigebieden de dijken langs de oude waterlopen en de oudste wegen de as van de nederzetting vormen. In eerste instantie danken deze nederzettingen haar ontstaan aan de omzetting van het veenmoeras in meestal armelijk grasland. Waar in latere tijden ter wille van de brandstofvoorziening dit veen werd vergraven of uitgebaggerd, en deze uitgeveende gebieden in de vorm van droogmakerijen opnieuw tot cultuurgrond werden gemaakt, verloren deze nederzettingen voor een deel haar agrarische basis, doordat in deze droogmakerijen zich de eigenlijke agrarische bedrijven (in de vorm van recent-primaire verspreide nederzettingen) vestigden.

Een derde variant in deze categorie vormen de nederzettingen, in de voormalige hoogveengebieden, m.a.w. de veenkoloniën, waarvan de oudere en de meer aan de periferie der venen gelegen veenkoloniën het karakter van wegdorpen dragen, terwijl bij de nieuwere veenkoloniën de bewoning zich concentreert langs de ten behoeve van de turfafgraving aangelegde hoofdkanalen.

Als oud-primaire verspreide nederzettingen zou men kunnen beschouwen de verspreide hoeven in het centrum van het Friese laagveengebied (Grouw e.o.), alsmede de essenzwermdorpen en de verspreide hoeven, die in het gebied ten O. van de IJsel voorkomen. Ook de nederzettingsvorm, waarbij van de aanvang af een krans van afzonderlijke hoeven om een grote, centrale es is gegroepeerd, welk type eveneens in laatstgenoemd gebied tamelijk veelvuldig voorkomt, zou tot deze categorie kunnen worden gerekend.

Over de aanvullende verspreide nederzettingen en de secundaire verspreide nederzettingen werd in het bovenstaande reeds gesproken. De recent-primaire verspreide nederzettingen treft men veelvuldig aan in de droogmakerijen, in de nieuw-ingepolderde gebieden van Groningen en Zeeland en in de Wieringermeer.

PROF. DR H. J. KEUNING

Lit.: A. Demangeon, La géografie de l’habitat rural (Annales de Géogr. 1927); idem, l’Habitat rural en France (Ann. de Géogr. 1920); Rapports de la commission de l’habitat rural de l’Union Géogr. Intern.; R. Martiny, Hof und Dorf in Alt-Westfalen (Forsch, z. dtsch. Landes- und Volksk. XXIV 5, 1926); M. A. Levèfre, l’Habitat rural en Belgique (1926); R. Mielke, Das deutsche Dorf (1907); O. Schlüter, Die Formen der ländlichen Siedlungen (Geogr. Zschr. 1900); J. Brunhes, Géogr. humaine de la France (in: Hist. de la Nation française, dl I, 1920); F. Seebohm, The English village community (1926); H. Peake, The English village (1920); G. McCutchen McBride, The land Systems of Mexico (1923); A. Meitzen, Siedlungs- und Agrarwesen d. West-Germanen, Ost-Germanen, der Kelten, Römer, Finnen und Slaven (4 dln, 1895); Die ländlichen Siedlungen in verschied. Klimazonen (uitgeg. door Fr. Klute 1933); H. Blink, Studiën over nederzettingen in Nederland (Tschr. v. h. Kon. Ned. Aardr. Gen., 1901, 1902, 1904); Olindo Marinelli, Atlante dei tipi geografici (1922); O. Schlüter, Deutsches Siedlungswesen in Hoop’s Reallex. d. germ. Altertumsk. I, blz. 402-439; A. N. J. den Hollander, Nederzettingsvormen en -problemen in de Grote Hongaarse laagvlakte (1947); G. Niemeier, Siedlungsgeogr. Untersuch. in Nied.-Andalusiën (1933); H. J. Keuning, L’habitat rural aux Pays Bas (Tschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. 1938); Idem, Die Eschsiedlungen der Nordöstl. Niederlande (Westfäl. Forsch. 1938); G. L. von Maurer, Geschichte der Dorfverfassung in Deutschland (1865) (blijft van betekenis).

In de Oostindische Archipel wordt het woord „dorp” gebruikt als samenvattende term voor de laagste indonesische rechtsgemeenschappen op de eilanden buiten Java, Madoera en Bali (zie dessa). Al naar gelang van de streek verschillen de Indonesische namen voor deze dorpsgemeenschappen: gampong, doesoen, nagari, wanoea, soa, etc.

Onder deze dorpen kan men twee hoofdtypen onderscheiden:

1. de dorpsgemeenschap: waar om één plek van samenwoning, eventueel met daarnevens onzelfstandige woonbuurten, de dorpelingen zich hebben gegroepeerd, onder de leiding, het gezag van één dorpshoofd of een kleine groep leiders, als onder één centraal gemeenschapsbewind. Gaan deze dorpsgemeenschappen onderling een federatie aan, dan ontstaat de dorpenbond.
2. de streekgemeenschap, waarbij in een bepaalde streek van samenwoning verschillende woonplekken zijn te onderscheiden, elk met eigen bewind, met eigen hoofden, maar alle toch lid, deel van een alle omvattende gemeenschap, met eigen grenzen en eigen (hogere) bewindsorganen.

Vrijwel zonder uitzondering wordt het bewind over deze dorpen door de hoofden uitgeoefend in geregeld overleg met de dorpelingen (soms zowel met mannen als vrouwen): „moepakat”. (zie verder inlandse gemeente).

Lit.: B. ter Haar Bzn, Beginselen en Stelsel v.h. Adatrecht (Gron. 1947).