Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

WOLKEN

betekenis & definitie

…(tekst ontbreekt) Bij deze classificatie valt t.a.v. het verschil tussen de ns en de st op te merken, dat de stratus uit waterdruppeltjes bestaat en geen regen van betekenis kan geven, hoogstens motregen; zijn basis ligt meestal lager dan 1000 m en we zouden hem een hoge mist kunnen noemen. De ns bestaat uit druppeltjes en ijskristallen beide, geeft veelal regen of sneeuw, is dikker (reikt tot groter hoogte) en donkerder en is veelal verbonden met een altostratus. Ook een as kan neerslag op de grond geven, evenals een cn. Terwijl de neerslag uit ns of as een gelijkmatig karakter heeft, geeft een cn een bui.

In sommige gevallen bereikt — dank zij verdamping der vallende deeltjes — de uit zulke wolken komende neerslag, hoewel in de lucht zichtbaar, de grond niet. Men spreekt dan van valstrepen (virga); deze worden dan niet tot de wolken gerekend. Valstrepen (van ijsdeeltjes) kunnen ook voorkomen aan sommige ac- (en cc-vormen, terwijl bij bepaalde ci-vormen de wolken zélf voor een groot deel uit vallende ijskristalletjes bestaan (bijv. de ci uncinus, de haak- of komma-achtige vorm.Naar analogie met de termen der biologische systematiek zijn de geslachten nog eens weer onderverdeeld in soorten, met dubbele Latijnse namen, doch deze soortindeling is niet altijd scherp. Men zie hiervoor onder de verschillende geslachtsnamen.Bepaalde wolkensoorten ontstaan niet regelrecht (door verdichting van de waterdamp) als zodanig, doch worden uit andere soorten gevormd; zoals bijv. de ci nothus — uit een cn ontstaan —, de ac cumulogenilus en sc cumulogenitus — uit cu of cn ontstaan —, terwijl cc, ac en sc door gedeeltelijke oplossing uit resp. cs, as en si (of ns) kunnen ontstaan zyn. Ten slotte moeten nog afzonderlijk genoemd worden de vormen fractostratus en fractocumulus, die we als wolkenflarden kunnen aanduiden. Zij kunnen ontstaan bij de oplossing van ns, st en cu, doch ook wel zelf direct gevormd worden (bijv. fractostratus onder een ns of cn).



Het directe ontstaan der wolken is aan bepaalde physische en meteorologische voorwaarden gebonden. De physische voorwaarden komen in het kort hierop neer: per volume-eenheid lucht een totale hoeveelheid water (als damp of vloeibaar of vast), die meer is dan de verzadigingswaarde van de waterdamp bij de gegeven temperatuur; en, in de tweede plaats, een voldoende concentratie van condensatiekernen, die nodig zijn om het allereerste begin der condensatie mogelijk te maken (zeer kleine druppeltjes zouden door de sterke kromming van hun oppervlak weer verdampen, indien niet de ingesloten en eventueel opgeloste, veelal hygroscopische, kern dit tegenhield); z condensatie en sublimatie. Meteorologische factoren, die door vervulling van bovengenoemde voorwaarden en wel met name van de eerste (de tweede is meestal wel vervuld) tot wolkenvorming aanleiding kunnen geven, zijn:

1. Verlaging van de verzadigingswaarde van de dampspanning door verlaging van temperatuur;
2. verhoging van het aanwezige waterdampgehalte der lucht door verdamping;
3. menging van twee bijna verzadigde luchtmassa’s van verschillende temperatuur. De laatste twee processen geven vooral aanleiding tot mist. Voor wolken in de vrije atmosfeer is het eerste proces het belangrijkst: temperatuurdaling.

De belangrijkste oorzaak van temperatuurdaling, die tot wolkenvorming leidt, is: expansie van de lucht door omhooggaan, naar lagere druk; daarnaast is het mogelijk dat lucht aflcoelt door directe opwaartse uitstraling (s nachts), waardoor bijv. vaak op de grens van twee verschillende luchtlagen een st- of sc- laag ontstaat; ten slotte kan door contact met een kouder wordende ondergrond een wolk (mist) daarop ontstaan. Het omhooggaan van lucht, dat door adiabatische expansie afkoeling en wolkenvorming geeft, kan op de volgende wijzen plaats vinden:

a. Algemene langzame opstijging door convergentie in een depressie;

b. opglijding over een wigvormige laag van koudere lucht (langs een front -vlak);

c. opglijding tegen een berghelling;

d. verticale ongeordende dooreenroering van een luchtlaag door turbulentie;

e. optilling door een beperkte plaatselijke storing (bijv. een omhooggroeiende cumulus of een luchtgolving);

ƒ. convectie , d.w.z. geordende, ongeveer verticaal omhooggaande luchtbewegingen die het gevolg zijn van thermische onstabiliteit.

De processen a. en b. geven bewolking van het ns - as — cs - type; c. kan ns - as óf (als de optilling niet hoog genoeg gaat) st geven; d. levert st of sc; e. kan vooral bepaalde ac-soorten geven: ac lenticularis of undulatus; f. ten slotte levert de cumuliforme wolken: cu of en, soms ook ci (uncinus bijv.) of ac cumuliformis (floccus of castellatus).



Het verbonden zijn van bepaalde wolkenvormen met bepaalde atmosferische toestanden maakt dat zij een belangrijk onderdeel van de meteorologische waarneming zijn en in de weerrapporten (z weerdienst! dan ook worden opgegeven. Behalve de vormen zijn van belang: de bedekkingsgraad en de basishoogte der wolken. De bedekkingsgraad, d.i. het bewolkt gedeelte van de hemel, wordt in de weerrapporten opgegeven in achtsten, in de weersverwachtingen met behulp van de volgende terminologie: onbewolkt, lichtbewolkt (1/8—3/8), halfbewolkt (3/8-6/8), zwaarbewolkt (5/8-8/8), geheel bedekt; de hier vermelde fracties gelden voor ondoorzichtige bewolking (een doorzichtige bewolking zoals ci wordt steeds licht genoemd). De bewolking is ook klimatologisch een factor van groot belang: zware bewolking vermindert de inkomende zonnestraling, maar ook de nachtelijke stralingsafkoeling en tempert aldus de uitersten van de temperatuur; verder moet uit de wolken de neerslag komen; derhalve houden de mogelijkheden van planten-, dieren- en mensenleven op de aarde nauw verband met de bewolking.

Het jaargemiddelde van de bewolking is het grootst (ca 0,7) in het N. van de Atlantische Oceaan en van de Stille Oceaan en in het zeegebied om het Zuidpoolvasteland; het geringst in Noord-Afrika. Arabië, Perzië (0,1-0,2), Zuid-Afrika, het binnenland van Australië en Zuid-Californië (0,2-0,3); in het algemeen hoog in een zeeklimaat en laag in een landklimaat, hoog bij lage barometerstand en laag, althans in de zomer, bij hoge barometerstand. In de winter komt bij hoge barometerstand ook veel stratus of mist voor.

Convectie-bewolking als cu en cn heeft gemiddeld haar maximum op het land in de namiddag, door de verwarming van de grond; laagvormige wolken hebben de grootste kans ’s middags door verwarming of dooreenroeren opgelost te worden: zodoende hangt de dagelijkse gang der bewolking sterk van plaatselijke toestanden af en is bijv. in de bergen en op zee heel anders dan in de vlakte.

De verticale uitgestrektheid der wolken is het grootst bij de grote cu en de cn, die wel tot 10 km kan groeien, en bij de ns (of as), die van enkele honderden m tot enkele km kan groeien; bij de andere wolken blijft de dikte meestal beperkt tot enkele honderden meters.

De hoogte van de wolkenbasis meet men tegenwoordig veelal met een kleine ballon, die met bekende constante stijgsnelheid omhooggaat tot hij in de wolk verdwijnt, of met een wolkenlicht, een verticaal gesteld zoeklicht, dat onder op de wolk een lichtplek werpt, waarvan de hoogte door hoekmeting wordt bepaald. (Overdag kan men gemoduleerd licht gebruiken, de waarneming geschiedt met een fotocel.)

De trek der wolken kan gemeten worden met een nephoscoop of wolkenhark — een verticale paal met bovenaan een dwarss tang met enige rechtopstaande tanden; de dwarsstand is draaibaar en wordt evenwijdig aan de trekrichting gesteld, de wolk wordt dan over de tanden geviseerd en zyn hoeksnelheid daaraan gemeten met een stophorloge; vroeger gebruikte men voor dit doel ook wel de „wolkenspiegel” (voor het bepalen van de luchtstroming op grotere hoogten is de wolkenhark thans weinig meer in gebruik, dank zij de hoogtewindmeting met de loodsballon).

Ten slotte mogen hier nog even als bijzondere wolkenverschijnselen genoemd worden: de licht(gev)ende nachtwolken, die op zeer grote hoogten (50-90 km) zweven en uit fijn stof bestaan; de paarlmoerwolken: een zeer zeldzame soort iriserende wolken, die in de stratosfeer zweven, uit ijskristalletjes bestaan en vooral boven Skandinavië zijn waargenomen; ultracirrus of schemeringscirri, in de onderste stratosfeerlaag zwevend en zichtbaar wordend na zonsondergang. Vliegtuigwolken danken hun ontstaan o.a. aan de waterdamprijke uitlaatgassen die zich mengen met zeer koude lucht.

Betreffende kransen en halo’s in wolken, z optische verschijnselen in de atmosfeer.

PROF. DR P. GROEN

Lit.: Wolken, Wolkencodes, Hydrometeoren, Wolkenplaten, K.N.M.I. 121a (2de dr. 1949); R. Süring, Die Wolken (3e dr., Leipzisr 1950); D. W. Perrie, Gloud Physics (New York 1050); American Meteorological Soc., Compendium of Meteorology (Boston 1951); J. Bricard, Physique des nuages (Paris 1953): verder: z atmosfeer, meteorologie.

< >