Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Weten

betekenis & definitie

Het begrip weten heeft 2 verschillende betekenissen:

1. weten - WETEN, (wist, heeft geweten), kennen, bekend zijn met: hij weet alles dadelijk; ik weet het uit de krant, ik heb het in de krant gelezen;
— van wien weet gij dat ?, wie heeft het u verteld ?;
— hij wil alles weten, hij verlangt alles te weten, (ook) hij wendt voor alles te weten;
— iets van iem. weten, het van hem vernomen hebben, iets aangaande hem weten;
— ik zal het u laten, doen weten, ik zal er u bericht van sturen ;
— ik weet niet, wat ik doen moet; ik weet geen raad; hij heeft zich weten te behelpen; bij ondervinding iets weten, door ondervinding ergens mede bekend zijn;
— God weet waar hij zit, het is mij totaal onbekend ;
— dat is nog nooit gebeurd, voor zoover ik weet, voor zoover mij bekend is;
— hij wil het weten, hij komt er rond voor uit;
— hij weet waar Abrarn den mosterd haalt, zie MOSTERD ;
— het fijne van de zaak weten;
ik wist niet wat ik liever deed, ik doe het volstrekt niet;
— iem. dank weten, hem erkentelijk zijn;
— weet gij wat !, uitroep om de volle aandacht te trekken ;
— hij wil niets van u weten, hij wil niet met u in aanraking komen ;
— eenige bewustheid, aandoening, gevoel, ongemak enz. van iets hebben : hij had veel wijn gedronken, maar hij wist er niets van ; zijne oudste dochter is dood, maar hij weet er weinig van;
— de noodige geschiktheid tot iets hebben : hij weet te geven en te nemen; hij weet met iedereen om te gaan;
— te weten, namelijk ;
— wel te weten, zoo men alles wel overweegt.

2. weten - WETEN, o. kennis, wetenschap ; buiten mijn weten, zonder dat ik er mede bekend was of ben ;
— met ons weten, met onze voorkennis ;
— naar mijn weten, voor zooveel mij bekend is.