ZAAK betekenis & definitie

ZAAK, v. (...zaken), gerechtszaak, proces, rechtsgeding : iemands zaak verdedigen; eene rechtvaardige zaak voorstaan; de zaak komt morgen voor; de zaak is voor den rechter gebracht; men kan, mag geen rechter in zijn eigen zaken zijn; een advocaat zijne zaken in handen geven; — aangelegenheid, bezigheid : hij is stipt in zijne zaken, hij doet alles nauwkeurig; — dat is eene zaak van gewicht, eene belangrijke aangelegenheid; — zijne eigen zaken doen, niet aan anderen overlaten; — zich in eene lastige zaak mengen, zich daarmede inlaten; hij is gelukkig van de zaak af; —bemoei u met uwe eigen zaken, met uwe eigen aangelegenheden; — dat is niet ieders zaak, daartoe is niet ieder in staat; — zwijgen is zijne zaak niet, hij kan niet zwijgen; — dat is de zaak der politie, de politie dient hier te regelen, op te treden; — in zaken van godsdienst, in godsdienstige aangelegenheden; — onverrichter zake terugkeeren, zonder dat men zijn doel bereikt heeft; — (gemeenz.) hoe staan de zaken?, hoe gaat het u?; — zijne zaken staan goed. slecht, hij verkeert in goeden, slechten toestand; — handelsbedrijf: zaken met iem. doen; voordeelige zaken doen, waarbij men veel verdient; — een man van zaken, een koopman, (ook) iem. die spijkers met koppen slaat; — eene zaak openen, oprichten, uitbreiden, aan iem. overdoen; zijne zaken regelen; voor zaken op reis gaan; orde op zijne zaken stellen; — wat geschied, wat voorgevallen is : ik zal u de heele zaak vertellen; de rechte toedracht der zaak weet ik niet; — dat zijn gewichtige zaken, gebeurtenissen, voorvallen; — naar bevind van zaken handelen, naar de omstandigheden zijn; — gedane zaken nemen geen keer, wat gebeurd is, blijft gebeurd; — gij moet de zaak nemen zooals zij is, gij kunt er niets aan veranderen, (ook) gij moet er niets bij denken of ervan weglaten; — waarover men spreekt, waarover men handelt: dat is de zaak niet, daarover spreken wij nu niet; hij dwaalt telkens van de zaak af, hij blijft niet bij hetgeen nu aan de orde is; het mooiste van de zaak is; met kennis van zaken spreken; dat doet niets ter zake, tot de zaak af, dat verandert de zaak niet; — doch nu ter zake, laten wij nu tot ons eigenlijk onderwerp overgaan; — het is zaak, dat te verzwijgen, het is noodig; verder was het zaak, stil af te wachten, verder was het noodig; — het is niet veel zaaks, het beteekent niet veel; — de zaken hebben, de regels, de menstruatie; — voorwerp, alles wat werkelijk of denkbeeldig bestaat: de noodige zaken klaarleggen, bijeenpakken, geduld is zulk eene schoone zaak; zelfstandige naamwoorden zijn de namen van personen of zaken. ZAAKJE, o. (-s).