Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

ZAAK

betekenis & definitie

ZAAK, v. (...zaken), gerechtszaak, proces, rechtsgeding : iemands zaak verdedigen; eene rechtvaardige zaak voorstaan; de zaak komt morgen voor; de zaak is voor den rechter gebracht; men kan, mag geen rechter in zijn eigen zaken zijn; een advocaat zijne zaken in handen geven;

— aangelegenheid, bezigheid : hij is stipt in zijne zaken, hij doet alles nauwkeurig;
— dat is eene zaak van gewicht, eene belangrijke aangelegenheid;
— zijne eigen zaken doen, niet aan anderen overlaten;
— zich in eene lastige zaak mengen, zich daarmede inlaten; hij is gelukkig van de zaak af;
—bemoei u met uwe eigen zaken, met uwe eigen aangelegenheden;
— dat is niet ieders zaak, daartoe is niet ieder in staat;
— zwijgen is zijne zaak niet, hij kan niet zwijgen;
— dat is de zaak der politie, de politie dient hier te regelen, op te treden;
— in zaken van godsdienst, in godsdienstige aangelegenheden;
— onverrichter zake terugkeeren, zonder dat men zijn doel bereikt heeft;
— (gemeenz.) hoe staan de zaken?, hoe gaat het u?;
— zijne zaken staan goed. slecht, hij verkeert in goeden, slechten toestand;
— handelsbedrijf: zaken met iem. doen; voordeelige zaken doen, waarbij men veel verdient;
— een man van zaken, een koopman, (ook) iem. die spijkers met koppen slaat;
— eene zaak openen, oprichten, uitbreiden, aan iem. overdoen; zijne zaken regelen; voor zaken op reis gaan; orde op zijne zaken stellen;
— wat geschied, wat voorgevallen is : ik zal u de heele zaak vertellen; de rechte toedracht der zaak weet ik niet;
— dat zijn gewichtige zaken, gebeurtenissen, voorvallen;
— naar bevind van zaken handelen, naar de omstandigheden zijn;
— gedane zaken nemen geen keer, wat gebeurd is, blijft gebeurd;
— gij moet de zaak nemen zooals zij is, gij kunt er niets aan veranderen, (ook) gij moet er niets bij denken of ervan weglaten;
— waarover men spreekt, waarover men handelt: dat is de zaak niet, daarover spreken wij nu niet; hij dwaalt telkens van de zaak af, hij blijft niet bij hetgeen nu aan de orde is; het mooiste van de zaak is; met kennis van zaken spreken; dat doet niets ter zake, tot de zaak af, dat verandert de zaak niet;
— doch nu ter zake, laten wij nu tot ons eigenlijk onderwerp overgaan;
— het is zaak, dat te verzwijgen, het is noodig; verder was het zaak, stil af te wachten, verder was het noodig;
— het is niet veel zaaks, het beteekent niet veel;
— de zaken hebben, de regels, de menstruatie;
— voorwerp, alles wat werkelijk of denkbeeldig bestaat: de noodige zaken klaarleggen, bijeenpakken, geduld is zulk eene schoone zaak; zelfstandige naamwoorden zijn de namen van personen of zaken.
ZAAKJE, o. (-s).