Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Alles

betekenis & definitie

Het begrip alles heeft 2 verschillende betekenissen:

1. alles - Alles zelfst. hoofdtelw. en voorn, (alleen onzijdig), duidt de gezamenlijke hoeveelheid der genoemde of bedoelde zaken aan houding, gelaat, oogen, stem, alles herinner ik mij;
— hij zal alles verklappen, wat hij weet, wat hem gezegd is;
— ik wensch u alles goeds; hij vertelt alles kwaads van mij, al wat maar goed, kwaad is;
— geduld overwint alles, alle bezwaren;
— alles gekheid en leugen, al het zooeven genoemde;
— alles wordt herboren, de gansche natuur;
— van personen; alles liep te wapen; in Amsterdam leeft alles van den handel, alle personen;
— alles wat adem heeft love den Heer, alle wezens;
— alles wel, maar, toegegeven, maar;
— (zeev.) alles wel aan boord, geene ziekte of groote averij gehad;
— ik verkoop alles, wat ik heb;
— wijt mij dit alles niet; ’t is alles geen goud, wat er blinkt;
— hij is in alles gelukkig;
— voor alles, in de eerste plaats; hij heeft van alles te koop, allerlei zaken;
— een winkel met van alles;
— (gew.) bw. ’t is alles, tegenover nietes.

2. alles - Alles o. mijn liefste, mijn alles heeft mij verlaten, al wat waarde voor mij heeft;
— alles voor iem. zijn, geheel voor iem. leven;
— gij zijt mijn alles, mijn dierbaarste;
— geld is alles bij hem, waar ’t op aankomt;
— daarvan verwacht hij alles, wat hij wenscht;
— (scherts.) dat is niet alles, ver van aangenaam;
— (versterk.) alles en alles; alles en nog wat.