Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VUUR

betekenis & definitie

VUUR - o. (vuren), gloed, brandende voorwerpen, inz. het vuur in eene kachel, een haard, eene stoommachine om te verwarmen, op te koken, metalen te doen gloeien of smelten of water tot stoom te verdampen : vuur aanleggen, aanmaken; het vuur oppoken, aanblazen; vuur blusschen, uitdooven, laten uitgaan; vuur slaan, met het vuurslag ;

— mag ik wat vuur, héb je ook vuur voor mij ? om pijp of sigaar aan te steken ;
— (in spr.) het vuur (der tweedracht) aanblazen, den twist heviger maken ;
— hij vat dadelijk vuur, wordt dadelijk kwaad;
— dat was olie in het vuur, daardoor verergerde zijn toorn ;
— hij kreeg een klap op de oogen, dat het vuur er uitsprong;
— er staat voor hem een potje te vuur, hij heeft eene scherpe berisping te wachten;
— iem. het vuur na aan de schenen leggen, iem. eene zaak moeilijk maken ;
— met vuur spelen, gevaarlijk spel spelen;
—iem. ten vure doemen, tot den brandstapel veroordeelen;
—voor iem. door een of door het vuur loopen, alles voor iem. doen ;
— de kastanjes voor een ander uit het vuur halen, zelf den last en de moeite van iets hebben en een ander de voordeelen ;
— vuur en vlam spuwen, toornig zijn;
— het huis staat in vuur en vlam, in laaien gloed;
— zoo rood als vuur zijn, eene hoogroode kleur hebben ;
— in het vuur vergulden, zie vergulden; hij is in het vuur verguld, zijne gelaatskleur verraadt dronkenschap ;
— het vuur van den hemel, de bliksem ; de hemel staat in vuur, is prachtig rood gekleurd door avond- of morgenrood, (ook) de eene bliksemstraal volgt op den anderen ;
— de machine staat in *t vuur, de machine doet dienst, in tegenst. met koud staan;
— het schieten met een vuurwapen : vuur geven; een levendig, goed onderhouden vuur; den vijand, eene vesting onder vuur nemen, beschieten;
— in ’t vuur gaan, in het gevecht;
— hij is in ’t vuur geweest, heeft den slag meegemaakt, (ook) heeft ondervinding opgedaan;
— tusschen twee vuren raken, van weerskanten beschoten worden, (ook) in ’t nauw, in de klem raken ;
— ik heb wel voor heeter vuren gestaan, in grooter nood of gevaar verkeerd, het harder te verantwoorden gehad ;
— een land te vuur en te zwaard verwoesten, er alles uitplunderen en moorden;
— een mengsel dat onder veel lichtontwikkeling verbrandt: Bengaalsch vuur; Griéksch vuur, een vuurwerk dat door water niet gebluscht kan worden;
— vuurtoren, kustlicht: het vuur van Scheveningen; draaiend vuur, draaiend kustlicht; drijvend vuur, vuurschip dat tot baken dient;
— lantaarn op zeeschepen ;
— een groote hoop turf in de venen ;
— (fig.) drift, nadruk, levendigheid : met vuur spreken, iets vertellen ;
— het vuur der jeugd, jeugdige voortvarendheid;
— oogen vol vuur, vol levendigheid ;
— het vuur van een diamant, de schittering ;
— het vuur der koorts, de gloed, de hitte ;
— zekere ziekte : koudvuur; St. Antonievuur;
— ziekte, brand in het koren; bederf in het hout, waardoor het er gaat uitzien als rood- en geelkleurig verkoold hout. VUURTJE, o. (-s).