Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hemel

betekenis & definitie

HEMEL, m. het schijnbare gewelf dat de aarde omsluit, het uitspansel: in den beginne schiep God den hemel en de aarde; de hooge hemel; de sterren aan den hemel;

— de zon staat reeds hoog aan den hemel, het is reeds laat; zij zijn zoo ver van elkaar als hemel en aarde, zeer ver;
— hij heeft er hemel en aarde om bewogen, (Zuidn.) verroerd, alles in het werk gesteld om zijn doel te bereiken;
— het scheen of hemel en aarde zouden vergaan, gezegd bij een hevig onweder, een heftig tumult enz.; niet van hemel of aarde weten, zeer dronken zijn; tusschen hemel en aarde zweven, in de lucht, in het onzekere; als de hemel valt, krijgen alle menschen eene blauwe slaapmuts (of zijn wij allen dood, blijft er geen tuinstok staan, enz.), maak u niet bang, dat zal zoo licht niet gebeuren (gezegd als iem. allerlei overdreven bezwaren of zwaartillende onderstellingen oppert); onder den blooten (eer onder den blauwen) hemel slapen, in de open lucht;
— het oog ten hemel heffen, naar boven richten;
— dat gedeelte van den hemel, hetwelk wij zien een heldere, bedekte, blauwe, grauwe, bewolkte hemel; een donderslag uit een helderen hemel. een onverwachte ramp;
— iem., iets tot den hemel verheffen, hemelhoog prijzen;
— donkere wolken vertoonden zich aan den politieken hemel, het zag er in de staatkunde somber uit , (-en), (naar de Joodsch-heidensche voorstelling van verschillende (9, 7 of 3) hemelen boven elkander waarvan de hoogste Gods woning was): de hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt zijner handen werk; de zoodanige is opgetrokken geweest in den derden hemel; hij was in den zevenden hemel, op het toppunt van gelukzaligheid
— hij viel uit den zevenden hemel, hij werd in zijne hooggespannen verwachtingen teleurgesteld;
— in den derden hemel zijn, dronken zijn
— (als verblijf van God, Christus en de gelukzaligen) Onze Vader die in de hemelen zijt; huwelijken worden in den hemel gesloten, hebben een goddelijken grondslag;
— (als plaats waar de vromen na hun dood beloond worden, in tegenst. met de hel): brave menschen komen in den hemel; hij heeft den hemel verdiend, heeft braaf gehandeld, vroom geleefd;
— hij heeft den hemel aan mij verdiend, aanspraak op mijne hoogste dankbaarheid; elk heeft een hemeltje op eigen hand, ieder maakt zich zijne eigen voorstelling van de hemelsche gelukzaligheid; met kousen en schoenen aan in den hemel komen, op eene gemakkelijke wijze, zonder strijd of lijden; (fig.) hij heeft een hemel op aarde, een uiterst gelukkig leven;
— de in den hemel tronende Godheid: de Hemel is mijn getuige; gave de Hemel dat zij herstelde; ge moogt den Hemel wel danken; de Hemel beware me, moge God mij behoeden (vaak gebruikt als uitroep van verwondering, als vloek);
— dat schreit ten hemel, is meer dan ergerlijk
— naar den hemel spuwen, het goede of heilige verachten
— de Hemel weet waar hij is, ik weet het niet;
— de gelukzaligen, de heiligen de Hemel zal voor u ten beste spreken, uw voorspraak zijn bij God;
— (als uitroep) lieve Hemel!; groote God in den hemel!;
—, (-s), voorstelling van de lucht en de wolken op eene schilderij;
— de strooken linnen, die dwars over het tooneel gespannen zijn boven de coulissen, en die de lucht of den zolder voorstellen:
— (bij vergelijking) baldakijn van kostbare stof: de keizer ging onder een hemel; de hemel van een troon;
— het bovenstuk van een rijtuig;
— de houten overkapping waaraan de gordijnen van een ledikant hangen;
— het dekstuk van eene (boeken)kast;
— klank- of galmbord boven een preekstoel;
— (gew.) rondom open tuinhuis;
— bovenplaat eener smeepers of smeemachine.