Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Machine

betekenis & definitie

Machine v. (-s), ieder toestel dat uit deelen bestaat eene helsche machine, met ontplofbare stoffen; inz. de zeer samengestelde werktuigen in fabrieken, op stoomschepen, spoorwegen enz.;

vaak in toepassing op de stoommachine: de machine bedienen, aanzetten, stopzetten, belasten; eene machine met oververhitten stoom, met condensator;
— ook voor locomotief: de machine staat koud, heeft geen stoom op;
— voor naaimachine de machine hapert, maakt lussen, naait niet goed;
— voor fiets eene nieuwe machine koopen, berijden;
— voorwerp dat men niet nader kan of wil aanduiden wat is dat voor een machinetje ?;
— scherts, voor menschelijk lichaam de machine is versleten; de machine wil niet meer;
— iem. die machinaal zijn werk doet: de fabrieksarbeiders zijn machines geworden; hij is eene machine in onze hand, doet precies wat wij verlangen.