Machine betekenis & definitie

Machine v. (-s), ieder toestel dat uit deelen bestaat eene helsche machine, met ontplofbare stoffen; inz. de zeer samengestelde werktuigen in fabrieken, op stoomschepen, spoorwegen enz.; — vaak in toepassing op de stoommachine: de machine bedienen, aanzetten, stopzetten, belasten; eene machine met oververhitten stoom, met condensator; — ook voor locomotief: de machine staat koud, heeft geen stoom op; — voor naaimachine de machine hapert, maakt lussen, naait niet goed; — voor fiets eene nieuwe machine koopen, berijden; — voorwerp dat men niet nader kan of wil aanduiden wat is dat voor een machinetje ?; — scherts, voor menschelijk lichaam de machine is versleten; de machine wil niet meer; — iem. die machinaal zijn werk doet: de fabrieksarbeiders zijn machines geworden; hij is eene machine in onze hand, doet precies wat wij verlangen.

Gepubliceerd op 19-09-2018