Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bliksem

betekenis & definitie

BLIKSEM, m. (-s), electrische vonk die bij een onweder van de eene wolk naar de andere of naar de aarde overspringt; het vuur des hemels;

— de bliksem treft, slaat in, (in een gebouw);
— zoo snel als de bliksem, verbazend snel;
— als door den bliksem getroffen, sprakeloos, ontsteld;
— iem. naar den bliksem jagen, afsnauwen; (ook) zijne toekomst bedorven;
— voor den bliksem (vloek);
— (plat) het is een gemeene bliksem, (ook bliksemskind) een deugniet;
— geen bliksem, totaal niets; je krijgt er geen bliksem van; ik geef er geen bliksem om;
— loop naar den bliksem verwensching, (ook) ben je zot ?
— ik geef er den bliksem van, ik doe het niet;
— vooruit, voor den bliksem, krachtsuitdrukking;
— de bliksem van het Vaticaan, (R.-K.) excommunicatie;
— heete, blauwe bliksem, in water gekookte meelbrij.