Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

WEG

betekenis & definitie

baan bestemd voor het verkeer te land, met uitzondering van het verkeer over spoorstaven (z spoorwegen). Hieronder rekent men dus alle wegen van het meest eenvoudige pad af tot de modernste weg voor snelverkeer met al zijn toebehoren.

Het maken van wegen is zo oud als de mensheid zelf. De oudste authentieke gegevens komen uit Egypte, waar men reeds 3000 v. Chr. wegen aanlegde voor de bouw der pyramiden; Assyrië beschikte over een uitgebreid wegennet met de hoofdstad Babylon als centrum; in het oude Perzenrijk is bekend de Koningsweg van Susa naar Sardes. Ook China en de oude rijken in Amerika kenden reeds goede verharde wegen. In het oude Griekenland bestond een wegennet, dat hoofdzakelijk naar de tempels en orakels voerde. De Romeinen hebben voor het bestuur van hun wereldrijk een uitgebreid wegennet aangelegd in Europa, West-Azië en Noord-Afrika, dat 78 000 km lang was.

Sommige van deze wegen zijn nog in goede staat, al zijn ze dan ongeschikt voor het moderne verkeer (bijv. de Via Appia). Met de ondergang van het Romeinse Rijk kwam een verwaarlozing van het wegennet. Met uitzondering van een korte opleving van de wegenzorg in het Karolingische tijdperk bleef men de wegen verwaarlozen tot het einde der Middeleeuwen, toen het opkomende postwezen en de consolidatie van staten een verbetering eisten. Dat men er totaal niets aan deed is onjuist; ook in de Middeleeuwen bestond handelsverkeer over land, en er zijn nog vele bruggen bekend, die in de Middeleeuwen gebouwd zijn. Het Napoleontische tijdvak bracht een opleving van de wegenbouw. Een grote stimulans daartoe was de stichting van een speciale dienst, het Département des Ponts et Chaussées.

De uitvindingen van de steenslagweg door Trésaguet (1775), MacAdam (1815) en van de paklaag door Telford (1790) gaf daaraan een grote stimulans, die werd voortgezet door de uitvinding van de stoomwals (z wals) door Lemoine in 1859. Een tijdelijke terugslag kwam met de ontwikkeling der spoor- en tramwegen, maar met de motortractie op de weg kwam een nieuwe periode van ontwikkeling. De oudste wegen in Nederland zijn een viertal Romeinse heirbanen, aangegeven op de bekende Peutinger Kaart. Deze kwamen uit het Zuiden (Boulogne of Keulen) en voerden o.a. naar Katwijk. Deze wegen zijn geheel verdwenen. De oudste authentiek bekende weg is een weg van Utrecht naar De Bilt (14de eeuw).

Zeer oud is ook de weg van Rotterdam naar Kralingen (vermoedelijk 11de eeuw). Uit de 17de eeuw stammen de bekende Hessenwegen in het Oosten, gebruikt door de Duitse kooplieden, die met „hessenkarren” reden. Pas door Napoleon werd een net van hoofdwegen geprojecteerd, dat nog gedeeltelijk in de Franse tijd in uitvoering kwam. Geleidelijk werd het net in de 19de eeuw uitgebreid en verbeterd. Van de grootste betekenis werd de invoering van de Wegenbelasting (later Motorrijtuigenbelasting) in 1927, welke een volledige ombouw en coördinering van het wegennet mogelijk maakte. Men heeft hiertoe een aantal wegenplannen opgezet, die om de 10 jaar moeten worden herzien:

1. het Rijkswegenplan (laatstelijk herzien in 1948),
2. 11 provinciale wegenplannen,
3. 11 tertiaire wegenplannen.

Het Rijkswegenplan omvat de primaire verbindingen; meestal zijn dit Rijkswegen, echter niet alle, en het bevat ook andere dan Rijkswegen (zie hierboven). De provinciale wegenplannen omvatten de wegen, die binnen de provincie nodig zijn of zullen worden als verbindingen voor doorgaand verkeer tussen grote gemeenten of tussen een grote en een kleine gemeente. De tertiaire wegenplannen tenslotte (ingesteld 1937) bevatten de wegen die naast de primaire en secundaire wegen nodig zijn als verbindingen voor verkeer met motorrijtuigen. Als onderdeel van het Rijkswegenplan bestaat het plan van auto-snelwegen (zie kaart). In internationaal verband bestaat sinds 1931 ook een coördinatie. Men heeft toen een stelsel van hoofdwegen, lopende door de verschillende landen van West-Europa, ontworpen (zgn. E-wegen) ter lengte van 54 000 km.

Het Nederlandse net van verharde wegen heeft een lengte van ca 30 000 km, waarvan ca 13 000 km planwegen (zie tabel) en 17 000 km niet-planwegen.

Grote aandacht wordt in Nederland geschonken aan de rijwielpaden. Volgens de wegenstatistiek bevonden zich uit. 1947 langs 1753 km der wegen van het Rijkswegenplan rijwielpaden, en langs 1350 km wegen der provinciale plannen. Verder nog langs tal van andere wegen. Er zijn ook nog ca 4000 km toeristische rijwielpaden, niet langs andere wegen gelegen. Eertijds werden de wegen naar hun dwarsprofiel, breedte rijbanen enz. onderscheiden in S, A, B en C-wegen.

Deze onderscheiding is vrijwel verlaten; men past het dwarsprofiel aan het te verwachten verkeer aan. Hierbij de twee dwarsprofielen welke voor autosnelwegen gebruikelijk zijn.

Hellingen tot 1 pct zijn voor het verkeer niet hinderlijk. Voor de Rijkswegen wordt in het algemeen een helling van max. 2 pct aangehouden; by opritten van kunstwerken gaat men wel tot 2/4 pct en een enkele keer, wanneer dit zeer grote besparing oplevert, tot 3/4 pct (afritten Maastunnel Rotterdam). Op de secundaire wegen worden grotere hellingen toegelaten, en in heuvelachtig terrein gaat men wel tot 7 pct soms 10 pct. In bergterrein zijn steile hellingen niet te vermijden.

Bochten. Rechte gedeelten van het wegtracé worden verbonden door cirkelbogen. De straal van deze bogen mag niet te klein zijn; voor autosnelwegen is een min. straal van 2000 m vastgelegd, voor andere hoofdwegen 750 m.

Verharding. Het is te allen tijde gewenst de verharding van een weg van een goede fundering te voorzien. Hiervoor kunnen naar gelang van de omstandigheden in aanmerking komen funderingen van beton (al of niet gewapend), een gewalste fundering of fundering op gestabiliseerd zand (zand-kleimengsel meestal met toevoeging van cement of bitumen); ook zijn wel wet-sandmixes toegepast (mengsels van nat zand met speciale bitumina). In uitzonderlijk slappe grond zijn wel wegen op rijzenbed gemaakt (een rijshoutconstructie, die onder de hele aarden baan is uitgespreid ter verdeling van de druk); zelfs zijn er enkele provinciale wegen in Zuidholland gebouwd op palen die een betonbak dragen; ook de Coolsingel te Rotterdam en straten te Diemen.



Rijwielpaden
en voetpaden kunnen op alle hiervoren vermelde wijzen in vereenvoudigde vorm worden verhard. Zeer veel toepassing vinden de betontegels; een zeer eenvoudige verharding voor deze paden wordt verkregen door gebruik van koolas, sintels of schelpen.

Lit.L Henri Cavailles, La route française (Paris 1946) (uitv. over geschiedenis en functie van wegennet in Frankrijk); W. F. Zieck en J. A. Postema, Wegen en Spoorwegen (Weg- en Waterbouwkunde, dl V, 4de dr., Amsterdam 1951); B. J. Kerkhof, Wegenbouw (6de dr., Amsterdam 1952); Wegen, halfmaand. tdschr. (’s-Gravenhage).

In BELGIË wordt de politiek van modernisering van het wegennet onverpoosd voortgezet, al is in de jongste jaren vertraging ingetreden wegens de militaire inspanning die het land zich moet getroosten. Voor 1952 werd door het Wegenfonds 580 millioen besteed aan de verbetering van het net. De modernisering, zoals ze wordt opgevat, zou voltrokken zijn in 15 jaar tijds en zou van het 14de jaar af renderend zijn. Zij zou een besparing toelaten van ca 10 milliard per jaar.