Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 06-08-2022

Straf

betekenis & definitie

(1, juridisch) is het leed door de wet verbonden aan het begaan van een in de wet strafbaar gesteld feit, op te leggen door de strafrechter nadat in een strafproces het begaan van het feit is geconstateerd. Het leed kan bestaan in een aantasting van het leven, het lijf, de vrijheid, het vermogen, de eer.

Niet alle leed door de strafrechter toegebracht is straf. De NEDERLANDSE strafwet onderscheidt tussen straffen en maatregelen. Straf is een dwang tot leed, een dwang omdat zij leed wil zijn (zie Vergelding). De maatregel is een leed tot dwang, een leed omdat hij dwang wil zijn. Hij wordt, ook naar aanleiding van een strafbaar feit, opgelegd in verband met de gevaarlijkheid van de dader. Hij kan strekken tot opvoeding (ter beschikkingstelling van kinderen om van regeringswege te worden opgevoed), ter genezing (ter beschikkingstelling van psychopathen om van regeringswege te worden verpleegd), ter onschadelijkmaking (bewaring van beroeps- en gewoontemisdadigers, geregeld in art. 43 bis W.v.Sr. dat nog niet in werking is getreden).De straf is een leed, dat de gemeenschap behoeft ter handhaving van de rechtsorde, zij wordt opgelegd in verband met de gevaarlijkheid, de werking van de misdaad. De strafwet onderscheidt tussen hoofdstraffen en bijkomende straffen. De hoofdstraffen kunnen onafhankelijk van enige andere straf worden opgelegd, de bijkomende straffen (ontzetting van bepaalde rechten, plaatsing in een rijkswerkinrichting, verbeurdverklaring van bepaalde goederen, openbaarmaking van de uitspraak) kunnen alleen opgelegd worden tegelijk met een hoofdstraf. De hoofdstraffen voor volwassenen zijn gevangenisstraf, hechtenis en geldboete. De doodstraf werd in Nederland in 1870 afgeschaft, de lijfstraf (geseling) reeds in 1854. In het militaire strafrecht bestaat de doodstraf nog wel, evenals in het Buitengewone strafrecht, toegepast na Wereldoorlog II t.a.v. politieke delinquenten en oorlogsmisdadigers.

De gevangenisstraf is ofwel een tijdelijke van ten hoogste 20 jaar, ofwel levenslange vrijheidsstraf. Bij de invoering van het Strafwetboek in 1886 aanvaardde men als wijze van executie de eenzame opsluiting (cellulaire stelsel) voor alle straffen beneden 5 jaar. Men meende daardoor de onderlinge morele besmetting te voorkomen, de misdadige wil te breken en de voorwaarden te scheppen voor zedelijke verbetering. Door de ervaring heeft men geleerd, dat in het algemeen niet verwacht kan worden, dat de gevangene tot een meer sociale houding zal komen door eenzaamheid. Daarbij komt dat de arbeidstherapie de tenuitvoerlegging in gedeeltelijke gemeenschap nodig maakt. Voor bepaalde groepen van gevangenen is de cel niet te ontberen. In de regel zullen zeer korte straffen geheel cellulair moeten worden voltrokken, naar mate zij harder zijn kunnen zij korter duren. Daarnaast dienen gemeenschapsgevangenissen te bestaan, waar de gevangenisstraf tevens aan de reclassering kan worden dienstig gemaakt. De voltrekking van de vrijheidsstraf dient daarom te worden gedifferentieerd, waarbij onderscheid tussen bepaalde typen van gestraften moet worden gemaakt met het oog op bepaalde soorten van gevangenissen. De nieuwe Beginselenwet gaat uit van de differentiatie in de executie van de vrijheidsstraf, met de bedoeling deze zo effectief mogelijk te maken.

Niettemin dient de vrijheidsstraf zoveel mogelijk te worden vermeden, daar zij meestal declasserend werkt. Vandaar de mogelijkheid van de voorwaardelijke veroordeling, ingevoerd in 1915. Vandaar de uitbreiding van de mogelijkheid van geldboete in 1925.

Het maximum van de hechtenis, die bedoeld is als een vrijheidsstraf van lichtere aard en steeds in gemeenschap wordt ondergaan, is een jaar.

Volgens de strafwet heeft de strafrechter een grote mate van vrijheid bij het bepalen van de straf. De wet kent algemene minima (van i dag of 50 cents), en speciale maxima vastgesteld bij ieder strafbaar feit. Daartussen beweegt zich de rechterlijke vrijheid. Die vrijheid maakt het mogelijk alle gradaties van schuld recht te doen wedervaren, en rekening te houden met de bijzondere aspecten van ieder geval in verband met reclassering of beveiliging. Uit de statistiek van de straftoemeting blijkt, dat de strafrechtspraak steeds milder wordt en steeds minder vrijheidsstraf toekent.

Behalve de hierboven behandelde staatsstraf, geregeld in het W.v.Sr., opgelegd in verband met het algemeen welzijn, bestaat er de disciplinaire- of tuchtstraf, opgelegd door groepsorganen in verband met het welzijn van bepaalde groepen. Bijna iedere groep met een eigen groepstuchtrecht kent de tuchtstraf, die kan culmineren in de uitsluiting uit de groep, bijv. het advocaten- of het medisch tuchtrecht.

PROF. MR B. V. A. RÖLING

Lit.: Pompe, Handb. v. h Ned. straft., 3de dr. (Zwolle 1950), blz. 271-462.

Het BELGISCH W.v.Sr. kent eveneens de onderscheiding van hoofdstraffen en bijkomende straffen. Hoewel de doodstraf in tijd van vrede principieel nimmer ten uitvoer wordt gelegd, blijft zij nochtans voortbestaan in het Belgisch strafrecht. Verder kent de Belgische wet hoofdzakelijk de volgende straffen: dwangarbeid (levenslang of tijdelijk van io tot 20 jaar); hechtenis (een straf, die in het bijzonder voor politieke delicten is bestemd en levenslang is of tijdelijk van 5 tot 20 jaar); opsluiting (van 5 tot 10 jaar); gevangenisstraf (van i dag tot 5 jaar); ontzetting van zekere politieke en burgerlijke rechten; stelling onder het bijzonder toezicht der politie; geldboete; bijzondere verbeurdverklaring; afzetting van titels, graden, openbare ambten, bedieningen en diensten; wettelijke ontzetting; het ter beschikking van de regering stellen.

De Belgische rechter geniet, onder enigszins verschillende voorwaarden, een nagenoeg even uitgebreide vrijheid als de Nederlandse rechter, wat de straftoemeting betreft. De voorwaardelijke veroordeling werd ingevoerd bij de wet van 31 Mei 1888 (gew. bij de wetten van 1 Mei 1913, 19 Aug. 1920, 24 Juli 1923 en 14 Nov. 1947), en veronderstelt een veroordeling tot minder dan twee jaar gevangenisstraf als hoofdstraf van iemand die vóór het feit nog geen criminele of correctionele straf van drie maanden hoofdgevangenisstraf opgelopen heeft. De voorwaardelijke invrijheidstelling, eveneens ingevoerd bij diezelfde wet van 31 Mei 1888, sluit hierbij aan. Het is echter niet de rechter, die deze maatregel beveelt, doch die gunst wordt toegestaan bij ministerieel besluit. Het geldt hier een vervroegde invrijheidstelling na uitboeting van 1/s van een vrijheidsstraf en ten vroegste na drie maanden (/s en ten vroegste na 6 maanden voor recidivisten), op voorwaarde dat het gedrag van de aldus vrijgestelde, gedurende zekere tijd onberispelijk blijve.

PROF. DR A. KLUYSKENS

(2, paedagogisch) geldt als een van de centrale begrippen der opvoedkunde. Zij is het bewust en opzettelijk leed aandoen aan een meestal lichamelijk en altijd geestelijk zwakker, aan onze zorgen toevertrouwd medemens. Het is dan ook begrijpelijk, dat een aantal beoefenaars der paedagogiek, terugschrikkende voor de verantwoordelijkheid die straf opleggen met zich meebrengt, trachten te komen tot een paedagogiek zonder straf, althans zonder opzettelijke straf. Men wil dan aan de „Natuur” (z natuur) de strafoplegging overlaten voor de verkeerde handelingen van het kind. Rousseau heeft zich in zijn Emile tot tolk willen maken van deze gedachte, die, gelijk gemakkelijk te zien is, samenhangt met zijn mening, dat de opvoeder zich zo veel mogelijk van ingrijpen moet onthouden (leer der natuurlijke of negatieve opvoeding). In het begin der 20ste eeuw zijn soortgelijke denkbeelden overgenomen en gepropageerd door Tolstoj, Ellen Key en hun geestverwanten.

Lit.: Liselotte Frankl, Lohn und Strafe (Jena 1935); J. H. Gunning W.zn., Lichamelijke straffen; Idem, Zedelijke opvoeding (twee artikelen uit Verz. Paed. Opst., II, 2de dr. 1917); P. Haberlin, Wege u. Irrwege der Erziehung, 3de dr. (Basel 1931, Ned. vert. 1926); Ph. Kohnstamm, Persoonlijkheid in Wording, Boek III. hfdst. 3 en 4; M. J. Langeveld, Beknopte theoret. paedagogiek, 4de dr. (Groningen 1952), § 53 en vlg.

< >