Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 06-08-2022

Strafbaar feit

betekenis & definitie

is volgens de NEDERLANDSE wet het feit, dat in de wet als strafbaar is omschreven. Volgens de wet is geen feit strafbaar, dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling (art. i W.v.Sr.).

In het na-oorlogse strafrecht is voor de eis, dat de wet moest voorafgaan aan het feit, uitzondering gemaakt in art. 3 Besluit Buitengewoon Strafrecht.De in de wet strafbaar gestelde feiten worden onderscheiden in misdrijven en overtredingen. Bedoeling was onderscheid te maken tussen rechtsdelicten (prohibitum quia malum, verboden omdat ze in zich strafwaardig zijn) en wetsdelicten (malum quia prohibitum, kwaad omdat ze verboden zijn). De misdrijven zijn de erge strafbare feiten, die in het algemeen ieder als strafwaardig voelt. De overtredingen zijn de feiten die indruisen tegen een voorgeschreven ordening bijv. voor het wegverkeer.

Wat als strafwaardig wordt aangemerkt is afhankelijk van tijd en plaats. Er zijn feiten, die zodanig in strijd komen met de gangbare opvattingen, dat straffeloosheid een onbehagen in de gemeenschap zou doen ontstaan, en de eerbied voor het recht en de overheid zou in gevaar brengen. De wetgever stempelt feiten tot strafbare feiten, indien hij meent dat voor het handhaven van de rechtsorde bestraffing onontbeerlijk is.

In de loop der tijden veranderen de strafbare feiten van inhoud. Zij vormen de minus-variant van menselijk gedrag. Verhoging van het morele peil van een gemeenschap brengt mee, dat sommige erge feiten niet meer voorkomen en dus geen speciale strafbepaling meer behoeven. Dezelfde verhoging van het morele peil brengt mede, dat feiten als strafwaardig worden ondergaan, die voordien niet als strafwaardig werden beschouwd. In de 19de eeuw verdween uit het strafrecht de bepaling betreffende het stelen van kinderen met de bedoeling ze na verminking voor bedelarij te gebruiken. Dergelijke bepaling werd nog nodig geoordeeld in het Crimineel Wetboek van het Koninkrijk Holland van 1809, artt. 238-240. In de 19de eeuw was men in het algemeen alleen strafbaar voor doen. In de 20ste eeuw gaat ook het nalaten in het strafrecht een grote rol spelen. Enorme uitbreiding kreeg het strafrecht in verband met de sociaal-economische ordening (Wet op de Econ. delicten).

Het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen als rechtsdelicten en wetsdelicten is in vele gevallen zeer moeilijk te maken. Vandaar dat de wetgever gemeenlijk aangeeft onder welke categorie een bepaald strafbaar feit valt. Wat betreft de feiten omschreven in het W.v.Sr. geldt, dat de misdrijven zijn opgenomen in Boek II en de overtredingen in Boek III. Bij de speciale wetten wordt meestal uitdrukkelijk aangegeven hoe de wetgever het strafbare feit wil beschouwd zien. Lagere organen kunnen slechts feiten als overtreding strafbaar stellen. Aan de onderscheiding zijn zeer belangrijke consequenties verbonden. Bij misdrijven staat altijd opzet of onachtzaamheid in de omschrijving; bij overtredingen niet, daar wordt schuld verondersteld en slechts straffeloosheid aangenomen bij gebleken afwezigheid van alle schuld. Bij overtredingen zijn poging en medeplichtigheid niet strafbaar, is de verjaring aan korter termijn gebonden, is de samenloop anders geregeld, is gemeenlijk de kantonrechter bevoegd, is schikking mogelijk.

PROF. MR B. V. A. RÖLING

Lit.: Pompe, Handb. v. h. Ned. Strafr. 3de dr. (Zwolle 1950), blz. 35-79; F. Hollander, Wet op de econ. delicten (Arnhem 1952), blz. 13-36.

Hoewel het BELGISCH strafrecht nagenoeg dezelfde algemene principes huldigt, dient bijzonder de nadruk gelegd op het volgend onderscheid: men noemt er misdrijf elke handeling waartegen de wet met straf bedreigt. Ingevolge art. i W.v.Sr. is het misdrijf, dat door de wetten gestraft wordt met een criminele straf, een misdaad-, datgene, dat door de wet gestraft wordt met een correctionele straf, een wanbedrijf-, en het misdrijf, dat door de wetten gestraft wordt met een politiestraf, een overtreding. Deze onderscheiding beïnvloedt grotelijks de toepassing van de bepalingen der strafwet inzake verjaring, herhaling, voorwaardelijke veroordeling, bevoegdheid enz.

De aard van een strafbare handeling hangt echter slechts voorlopig af van de aard van de straf, waarmede de wet aanvankelijk bedreigt, en wordt pas uiteindelijk vastgesteld door de werkelijk uitgesproken straf. Aldus wordt zij er soms een van lagere graad, ten gevolge van verzachtende omstandigheden of van gronden van verschoning; anderzijds kan, in geval van herhaling bij bijzondere wetsbepalingen voorzien, soms een straf van hogere graad uitgesproken worden, ook in geval van verzwarende omstandigheden.

Behoudens talrijke uitzonderingen worden de misdaden berecht door de Hoven van Assisen, de wanbedrijven door de correctionele rechtbanken (arrondissementsrechtbanken) en de overtredingen door de politierechtbanken (kantongerechten).

PROF. DR A. KLUYSKENS

Opsporing van strafbare feiten

noemt men het voorbereidend onderzoek in strafzaken, gevoerd door de officieren en hulpofficieren van justitie en andere opsporingsambtenaren (zie hierna). Wordt dit onderzoek gevoerd door de rechter-commissaris, dan spreekt men van een gerechtelijk vooronderzoek (NED. Wetb. v. Strafvord., tweede boek, titel I, eerste afd., artt. 139 en vlg.). Indien naar aanleiding van het ingestelde voorbereidend onderzoek, het openbaar ministerie van oordeel is, dat verdere vervolging moet plaats hebben, gaat het daartoe zo spoedig mogelijk over (artt. 242 en volg., z strafproces). De gang van zaken in alle phasen van bovengenoemde proceduren is gebaseerd op het opsporingsonderzoek.



Doel van het opsporingsonderzoek
is, naar de oude gouden rechtsregel vast te stellen of een strafbaar feit heeft plaats gehad, en zo ja, antwoord te kunnen geven op de vragen: quis? (wie?), quid? (wat?), ubi? (waar?), quibus auxiliis? (waarmede?), cur? (waarom?), quomodo? (hoe?), quando? (wanneer?).



Met de opsporing der strafbare feiten zijn belast
(NED. Wetb. v. Strafvord., artt. 141 en vlg.):

1. de officieren van justitie;
2. de kantonrechters in zaken welke niet aan hun kennisneming zijn onderworpen;
3. de commissarissen van politie en de waterschouten;
4. de burgemeesters in gemeenten waar geen commissaris van politie is; 5. de districtscommandanten,de brigadiers-majoor en de brigadiers der rijksveldwacht (waarvan de naam in 1945 gewijzigd is in rijkspolitie), de rijksrechercheurs en de officieren en de onderofficieren der marechaussee;
6. de rijksveldwachters, de gemeenteveldwachters en de door de minister van Justitie aangewezen militairen der marechaussee beneden de rang van onderofficier.

Voorts de in overeenstemming met art. 142 belaste ambtenaren. Met de opsporing van economische delicten zijn o.a. ook belast de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen („Wet op de Economische Delicten”, titel III).

BELGIË

De opsporing van strafbare feiten is in handen van de Gerechtelijke Politie (Police Judiciaire) te Brussel en wordt onder het gezag van de Hoven van beroep uitgeoefend. (Belg. Wetb. v. Strafvord., boek I, hoofdstuk I, artt. 8 en vlg. ; zie ook: artt. 113127 en vlg., 191 en vlg.; 217 en vlg.: alsmede 358 en vlg.).

Practisch uit politioneel oogpunt worden de misdrijven met betrekking tot de opsporing o.a. ook onderverdeeld in:

a. locale;
b. interlocale en
c. internationale.

De politie en justitie beschikken bij het opsporingsonderzoek over de volgende hulpmiddelen:

1. ondervraging van verdachten en getuigen (NED. Wetb. v. Strafvord. artt. 200-226 — BELG. Wetb. v. Strafvord. artt. 71-86, 113 en vlg.);
2. bewijzen: artt. 94-123 (BELG. artt. 35, 38, 60, 89 en vlg.), artt. 338-344 (BELG. artt. 87-90);
3. medewerking van deskundigen en vakkundigen: over de deskundige handelen de artt. 227-236, alsmede de artt. 211-213 en 217-220 (BELG. artt. 43 en 44). Vele politiebureau’s en bijna alle hoofdbureau’s beschikken in de regel over een staf met vakkundig personeel op de verscheiden gebieden der opsporing, zoals bijv. recherche-specialisten, dactylografen, fotografen, enz.;
4. wetenschappelijk-technische inrichtingen (zie hieronder: wetenschappelijke politie);
5. politiehonden (speurhonden);
6. communicaties: o.a. radio-telefonie en telegrafie; telex; beeldoverbrenging; radar; televisie;
7. publicaties: politiebladen (Het Algemeen Politieblad; BELGIË: Centraal SignalementenbladBulletin Central de Signalements), opsporingsregisters, circulairen, enz.;
8. vervoermiddelen :
a. voor de landpolitie,
b. voor de waterpolitie, en
c. voor de luchtpolitie;
9. nationale samenwerking: in bepaalde gevallen van ernstige nationale en in alle gevallen van internationale misdrijven worden de landelijke centrales gewaarschuwd.

In NEDERLAND: Bureau Criminele Voorlichting te ’s-Gravenhage (Interpol, La Haye) ; in BELGIË : Gerechtelijke Politie te Brussel (Interpol, Bruxelles) ; 10. internationale samenwerking: de landelijke centrales (Interpols) waarschuwen in alle gevallen van internationale misdrijven de internationale politie. Parijs is tegenwoordig het centrum van deze politie, welke officieel de titel draagt: „Commission Internationale de Police Criminelle” (C.I.P.C.) — „International Criminal Police Commission” (I.C.P.C.).

Deze Commissie werd in 1923 te Wenen door de politie-president en latere bondskanselier J. Schober gesticht en is in 1924 als „Internationale Kriminalpolizeiliche Kommission” met haar werkzaamheden te Wenen begonnen. In 1946 werd de hoofdzetel naar Parijs verplaatst. President: F. E. Louwage (Brussel); Hoofd van het Secretariaat-Generaal te Parijs: M. Sicot; Hoofd van het Office gedelegeerd naar Den Haag: J. A. Adler. Ontvangt de Commissie te Parijs een bericht over een internationaal misdrijf, dan waarschuwt ze harerzijds a. de centrales van bepaalde landen (Interpol a, b, c, enz.), of b. de centrales van alle landen (Interpol aan allen), door middel van „C.I.P.C.-radio’s”. Hierop volgen onmiddellijk de „C.I.P.C.-circulaires met foto’s en vingerafdrukken, signalement (portrait parlé), en manier van werken (modus operandi) van de misdadiger. Betreft het namaak en vervalsing, dan waarschuwt men nog door het officiële publicatie-orgaan van de Commissie: Contrefaçons et FalsificationsCounterfeits and Forgeries (z geld, geldvervalsing, en valsheid).

WETENSCHAPPELIJKE POLITIE

Het opsporingsonderzoek, vroeger in de regel meer of minder subjectief-onwetenschappelijk, werd door de Oostenrijkse hoogleraar en criminalist prof. dr Hans Gross, in objectieve, streng wetenschappelijke banen geleid. Gross is volgens E. Locard (Directeur van het politielaboratorium te Lyon, Frankrijk), de „vader” van de moderne criminele wetenschappen en de wetenschappelijke politie heeft haar ontstaan aan hem te danken. In de laboratoria van deze politie worden o.a. onderzocht, de op de plaats van het misdrijf of in het bezit van de verdachten in beslag genomen voorwerpen, documenten, enz. (corpora delicti). Verder alle mogelijke sporen bijv. van bloed, stof, enz.

De laboratoria bedienen zich gewoonlijk van:

a. microscopie (gewone-, vergelijkings-, stereo-, electronenmicroscopen e.d. apparaten; onderzoekingen in: op- en doorvallend licht, licht en donkerveld, gepolariseerd licht; onder invloed van ultra-violet en ander licht, enz.) ;
b. natuurkunde (physicalische onderzoekingen en metingen met de meest verschillende instrumenten en apparaten, en onder invloed van diverse lichtbronnen;
c. scheikunde (onderzoek alleen, of in verbinding met microscoop, fotografie, enz. ; normale-, micro- en spectro-analyses, enz.;
d. wetenschappelijke fotografie (macro-, of in verbinding met het microscoop, microfotografie, onder invloed van wit, monochromatisch, infra-rood, ultra-violet enz. licht; Röntgen-fotografie, spectrografie, palimpsestfotografie, enz.;
e. wetenschappelijke grafologie (onderzoek en vergelijking van hand- en machineschrift, enz.).

Van de laboratoria van internationale betekenis, die vóór of kort na Wereldoorlog I zijn gesticht, worden o.a. genoemd : Gross (Wenen-Graz) ; Locard (Lyon); Ottolenghi (Rome); Reiss (Lausanne-Beograd); Bayle-Sannié (Parijs); Adler (Wenen), Van Ledden Hulsebosch (Amsterdam); Goddefroy (Brussel).

Het spreekt van zelf, dat de „Commission Internationale de Police Criminelle” te Parijs haar oog richtte op wetenschappelijke onderzoekingsmethoden en daarom reeds lang een permanente subcommissie voor Wetenschappelijke Politie (Police Scientifique - Scientifical Police), heeft opgericht. Nederland is daarin vertegenwoordigd door J. A. Adler; België door: F. Franssen.

j. A. ADLER

Lit.: H. Gross, Kriminalpsychologie (Graz 1897); Handb. f. Untersuchungsrichter.... (Wien - Graz 1898); Erforschung des Sachverhaltes strafbarer Handlungen (Prag 1902); S. Ottolenghi, Polizia Scientifica (Roma 1907); R. A. Reiss, Manuel de Police Scientifique (Lausanne 1911); E. Locard, L’Enquête Griminelle et les Méthodes Scientifiques (Paris 1920).

< >