Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 04-07-2022

Juda

betekenis & definitie

(1) Stam van Juda, vormt samen met Simeon één van de zuidelijkste stammen van Israël. Door de niet-R.K. critici wordt doorgaans aangenomen dat Juda-Simeon niet samen en gelijktijdig met de noordelijke stammen in Palestina binnendrong.

Volgens Rowley kwam Juda in Palestina in de tijd van Amarna (14de eeuw), na een langdurig verblijf te Qadesj-Barnea. Simeon, en ook gedeeltelijk Ruben en Levi, waren zijn bondgenoten. Qenieten vergezelden hen. Hun Jahweïstisch geloof was aan de Qenieten ontleend en drukte zich uit in de „rituele decaloog”. De noordelijke stammen zouden eerst later naar Palestina zijn gegaan onder leiding van Mozes en Jozua. Hun zou de Sinaï-openbaring ten deel gevallen zijn, alsook de ethische decaloog.Lit.: E. Meyer, Die Israëli ten und ihre Nachbarstamme (Halle a. S. 1906); A. H. Edel koor t, Uittochten intocht (Utrecht 1924); H. H. Rowley, From Joseph to Joshua (London 1950).

(2), Het Rijk van Juda, is de benaming van het zuidelijk Israëlietische rijk. Het kwam tot stand na de dood van Salomo, onder zijn zoon en opvolger Rehabeam, toen de noordelijke stammen in opstand kwamen tegen Davids dynastie en de centralisatie, door Jeruzalem ingevoerd. Het oproer brak uit zowel bij de Israëlietische landbevolking als onder de afstammelingen van de Kananese bevolking die tot slavendienst ten bate van de koningsstad werden gedwongen.

Na de ondergang van het noordelijk rijk (722 v. Chr.) bleef het rijk Juda nog anderhalve eeuw bestaan. Koning Hizkia nam, bij de troonsbestijging van Sanherib van Assyrië (705-681), deel aan een omvangrijke opstand in Phoenicië en Syrië, tegen de nadrukkelijke vermaningen van zijn grote tijdgenoot Jesaja. Hizkia’s zoon Manasse voerde Assyrische godenverering in. Tegen dit syncretisme verzette zich de Jahwistische oppositie: dat openbaarde zich in de beroemde hervorming van Josia (622) waarbij de cultus werd gezuiverd en gecentraliseerd te Jeruzalem. De macht van Assyrië zonk, Juda werd een vazalstaat van Egypte, later van het Nieuwbabylonisch rijk.

De Babyloniërs veroverden Jeruzalem (698), en maakten bij de verwoesting dier stad (in Aug. 587) een eind aan het rijk Juda. Gedalja werd landvoogd over hen, die niet in ballingschap waren weggevoerd.

Lit.: M. Noth, Geschichte Israëls (Göttingen 1949); P. Heinisch, Geschichte des A. T.’s (Bonn 1950).