Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 04-07-2022

Internationale

betekenis & definitie

EERSTE INTERNATIONALE, officieel genaamd The International Working Men’s Association. De reactie, gevolgd op het revolutiejaar 1848, had de internationale verbindingen tussen de arbeiders, die in de Bond der Rechtvaardigen en de Communistenbond bestaan hadden, vernietigd. De opleving in de Engelse vakbeweging sinds de economische crisis van 1857, het contact tussen Engelse en Franse arbeiders en ten slotte de internationale protestbeweging onder de arbeiders tegen de onderdrukking van de Poolse opstand in 1863 leidden tot een nieuwe internationale vereniging, die 28 Sept. 1864 te Londen werd gesticht.

In afwijking van de numeriek zwakke, maar principieel socialistische Communistenbond, had de eerste Internationale aanvankelijk, zoals uit het gesprokene op de bovengenoemde meeting blijkt, nauwelijks een socialistisch, veeleer een radicaal-democratisch karakter, waartegenover stond, dat zij, evenzeer van de aanvang af, een massa-beweging zijn wilde. Socialistisch werd zij pas door de medewerking van Karl Marx, die met zijn Inaugural Address, spoedig na de stichting ontworpen, doch pas na 2 jaar in de besluiten en manifesten van de Internationale als een officiële acte geciteerd, haar een theoretisch-socialistisch fundament gaf.

Dat tweeslachtig karakter (enerzijds spontane vereniging van radicaal-democratisch gezinde arbeidersmassa’s, anderzijds de theoretisch-communistische inslag, die Marx en de zijnen er aan gegeven hebben) blijft ondanks de aanvankelijk niet geringe organisatorische successen voortdurend op de Internationale drukken. Het heeft zowel haar periodieke organen ( The Beehive, Der Vorbote, Tribune du Peuple, The Workman’s Advocate, later The Commonwealth) meer tot discussie- dan tot propagandabladen gemaakt, als ook op haar congressen (Genève, 1866, Lausanne, 1867, Brussel, 1868, Bazel, 1869, ’s-Gravenhage, 1872, Genève, 1873) en haar conferenties (Londen, 1865, Londen, 1871, Philadelphia, 1876) tot een reeks vaak hoogst verwarde en onverkwikkelijke debatten geleid.

Als de voornaamste stromingen kan men onderscheiden:

1. de aanhangers van Marx;
2. de Engelse vakbeweging, die haar zelfstandigheid angstvallig bewaakte;
3. de Franse sectie, voor een deel aanhangers van Proudhon, die de onvermijdelijkheid van de politieke strijd en de machtsverovering door het proletariaat loochenden en zich verzetten tegen de omzetting van de particuliere grondeigendom in gemeenschappelijke;
4. een ander deel van de Franse sectie, aanhangers van Blanqui, die juist wel van politieke strijd wilden weten, maar in de vorm van een samenzwering tot plotselinge verovering van de macht en ten slotte
5. de aanhangers van Bakoenin, die vooral onder de Italiaanse, Romaans-Zwitserse(Jura) en Spaanse sectie te vinden waren, die ook tegenstanders waren van de politieke machtsvorming door het proletariaat, daarentegen alle heil verwachtten van de „afschaffing” van alle kerkelijke en staatsautoriteit en haar plotselinge vervanging door vrije associaties (anarchistisch-syndicalistische of vrij-socialistische richting). Wel is het Marx en zijn aanhang gelukt organisatorisch hun mening over de gehele linie successievelijk te doen zegevieren, behalve bij de Engelsen, wie hij hun vrijheid laten moest, maar de aanhoudende inwendige onenigheid had de Internationale toch dermate verzwakt, dat zij de schok door de Parijse Commune (1871), waar zij het ronduit voor opnam en de daarop gevolgde reactie, toch niet te boven is kunnen komen. Haar laatste congres van betekenis, dat van 1872 in Den Haag, kan men als het begin van haar ontbinding beschouwen, terwijl op de Conferentie te Philadelphia in 1876 ook het bestuur formeel ontbonden werd.

De betekenis van de Internationale is in de gelijktijdige pers van haar talrijke tegenstanders mateloos overschat. De geheime terreur-organisatie, met overal haar vertakkingen en machtige invloed, die deze pers en de publieke opinie er in zagen, is zij nooit geweest. Toch zou het anderzijds, ofschoon de eerste Internationale op geen tastbare resultaten kan bogen, foutief zijn haar betekenis te onderschatten. Lenin heeft haar betekenis als volgt omschreven: „Zij (de 1ste I.) legde het fundament van een internationale organisatie van arbeiders ter voorbereiding van hun revolutionnaire druk op het kapitaal.”

De Eerste Internationale in Nederland. De Nederlandse sectie der Internationale is op 30 Aug. 1869 in Amsterdam gesticht onder Belgische invloed door een voorlopig comité dat steun kreeg van de vrijdenkersvereniging De Dageraad, o.a. van H. Gerhard, kleermaker van beroep, die er de voornaamste figuur van werd. Weldra volgden secties te ’s-Gravenhage en Utrecht. De afdeling Nederland der Internationale noemde zich Nederlandsch Werklieden-Verbond.

TWEEDE INTERNATIONALE of (na 1923) Socialistische Arbeiders-Internationale is de vrucht van de opleving in de arbeidersbeweging in de jaren ’80 na de reactie, die op de ondergang der Commune van Parijs en der eerste Internationale gevolgd was. Zij werd opgericht in Juli 1889 in aansluiting aan twee internationale socialistische Congressen ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling in dat jaar in Parijs gehouden, het ene van zgn. possibilisten, het andere van marxisten. Doordat de eersten voorwaarden voor de eenheid stelden, die de laatsten meenden niet te kunnen aanvaarden, ging de oprichting ten slotte alleen van de marxisten uit. De Tweede Internationale vertoont daardoor van de aanvang af een veel homogener beeld dan de eerste, althans wat de geest betreft, die haar bezielde. Haar organisatorische vorm daarentegen was veel losser. De kern der Tweede Internationale heeft nooit als in de Eerste bij de centrale leiding, veeleer bij de landelijke besturen gelegen, in overeenstemming met het feit, dat tussen de Eerste en de Tweede Internationale in, in bijna alle Europese landen natiesgewijs politieke arbeiderspartijen waren ontstaan. Als algemeen doel stelde de Internationale zich de „politieke en economische onteigening van de kapitalistenklasse, vermaatschappelijking van de productiemiddelen”.

Als algemene tactiek voor de partijen, die in haar resp. landen dit doel moesten bereiken, stelde zij: „de strijd om de politieke macht, te voeren met behulp van het stembiljet, maar met uitsluiting van elk compromis met de een of andere politieke (burgerlijke) partij”. Het Int. Soc. Bureau tot stichting waarvan in 1891 op het 2de congres (van Brussel) besloten en waarvan later E. Vandervelde voorzitter en K. Huysmans secretaris werd, beperkte zich daarom tot kwesties van al of niet toelating, het verzamelen van materiaal en het voorbereiden van de Congressen, die na Parijs en Brussel en tot 1914 achtereenvolgens gehouden zijn te Zürich ( 1893), Londen (18g6), Parijs (igoo), Amsterdam (1904), Stuttgart (1907), Kopenhagen (1910) en Bazel (1912).

De voornaamste leiders van de Tweede Internationale waren tot 1914: Bebel, W. Liebknecht, Singer, Auer (Duitsland), Vaillant, Guesde, Jaurès, Lafargue (Frankrijk), Keir Hardie (Engeland), Plechanow en Axelrod (Rusland), Turati (Italië), Branting (Zweden), Iglesias (Spanje, V. Adler (Oostenrijk), Berger (N.-Am.), Troelstra (Nederland), Van der Velde (België).

Ofschoon de Tweede Internationale in het Marxisme haar theoretische eenheid vond en zij die ook in haar bloeitijd (1904) uiterlijk en innerlijk wist te bewaren en ofschoon de sinds 1904 bestaande Interparlementaire soc. dem. Commissie ook in kwesties van parlementaire tactiek zekere overeenstemming tussen de nationale partijen trachtte te brengen, heeft de wereldpolitieke ontwikkeling sinds 1904 haar niettemin innerlijk in een rechter- of reformistische en een linker- of revolutionnaire vleugel gescheiden, en wel hoofdzakelijk naar aanleiding der volgende drie kwesties.

1. het ministerialisme;
2. het vraagstuk der koloniën;
3. dat van de oorlog.

De eerste kwestie deed zich voor in 1899 door het toetreden van de socialist Millerand tot een burgerlijke regering. Op het Congres van Parijs kwam zij aan de orde. De resolutie van Kautsky, die aangenomen werd, keerde zich niet principieel tegen het ministerialisme, hetgeen als een niet door het Congres uit te maken tactisch vraagstuk werd opgevat, doch slechts tegen het feit, dat Millerand bij het aanvaarden van zijn zetel de partij niet geraadpleegd had. Het Congres van Amsterdam nam wel scherper stelling tegen het ministerialisme, maar dit heeft niet belet, dat het sedert Wereldoorlog I voor de partijen in de Tweede Internationale regel geworden is, ministerzetels te bezetten.

In de koloniale kwestie, die o.a. op het Congres van Stuttgart aan de orde kwam, stonden de richtingen nog scherper tegenover elkaar. De meerderheid in de Commissie voor deze aangelegenheid kwam met een door de Nederlander Van Kol opgestelde resolutie, die een sterk reformistisch karakter droeg. De Tweede Internationale heeft dan ook nergens de eis van het onmiddellijk opgeven der koloniën gesteld.

Het vraagstuk van de houding der arbeidersklasse tegenover het militarisme kwam eveneens in Stuttgart en in Bazel aan de orde. Ook in Stuttgart was als in Amsterdam de aangenomen resolutie op zichzelf een overwinning van de revolutionnaire richting. De slotclausule, geredigeerd door Rosa Luxemburg en Lenin, luidde: „Dreigt er een oorlog uit te breken, dan zijn in de betrokken landen de arbeiders en hun parlementaire vertegenwoordigers verplicht om het uitbreken van de oorlog met doeltreffende (entsprechende) middelen te verhinderen. Zou de oorlog desondanks uitbreken, dan zijn zij verplicht voor zijn spoedige beëindiging op te komen en met alle krachten er naar te streven om de door de oorlog veroorzaakte economische en politieke crisis uit te buiten tot politieke opruiing (Aufrüttelung) van de volkslagen en ter verhaasting van de val der kapitalistische klasseheerschappij”.

De tegenstelling tussen de in al deze kwesties aangenomen revolutionnaire resoluties en de overal langzamerhand aanvaarde reformistische practijk moet verklaard worden uit het imperialistisch tijdvak, waarin die practijk zich doorzette. Toen Ed. Bernstein, in 1899 met zijn Voraussetzungen des Sozialismus und die Aufgaben der Sozialdemokratie het reformisme of revisionisme theoretisch fundeerde, vond hij nog een gesloten marxistisch front tegenover zich, maar de imperialistische ontwikkeling van 1900-1914 met haar grote welvaart, o.a. door winsten uit de koloniën, schiep een arbeidersaristocratie en in die arbeidersaristocratie de stemming, die aan het theoretische revisionisme van Bernstein beantwoordde en van die stemming werd de Internationale in de practijk de tolk, ondanks de principiële critiek daarop uitgeoefend door figuren uit de linkse of centrum-richting als Lenin, Rosa Luxemburg, Radek, A. Pannekoek, Kautsky en Fr, Mehring. De hier genoemde tegenstelling was aanwezig, maar verheeld, en daarom leidde zij tot het destijds verrassende, maar achteraf gezien verklaarbare resultaat, dat bij het uitbreken van Wereldoorlog I in Aug. 1914 bijna alle partijen der Tweede Internationale zich aan de zijde van haar nationale bourgeoisieën plaatsten, met uitzondering van de Engelse I. L.

P., die de pacifistische lijn vasthield, de Bulgaarse revolutionnaire socialisten, twee socialistische afgevaardigden in het Servische parlement, K. Liebknecht (bij de tweede stemming over oorlogscredieten), de Italiaanse partij, die op aandrang van Mussolini haar reformisten had uitgesloten, en de bolsjewistische fractie der Russische sociaal-democratie in de Doema, die daarom naar Siberië verbannen werd. De Internationale was met dit partijkiezen zo niet formeel dan toch feitelijk verdwenen, uiteengevallen in evenzoveel partijen als er naties waren, waar de sociaal-democratie vertegenwoordigd was. Met name in de oorlogvoerende landen neigden deze partijen steeds meer tot wat de linkse socialisten het sociaal-patriotisme of sociaal-chauvinisme noemden en dat figuren voortbracht, zoals bijv. Ph. Scheidemann in Duitsland en Alb.

Thomas in Frankrijk, die, al of niet als minister in een oorlogskabinet, hun invloed op de arbeiders in dienst stelden van de oorlogspolitiek hunner resp. regeringen. Pogingen der sociaal-democraten uit de neutrale landen om de gesprongen banden weer aan te knopen en voor de vrede te ijveren (Conferentie van Stockholm, 1917) konden onder deze omstandigheden dan ook tot geen enkel resultaat leiden. Pas na de oorlog heeft er een aantal conferenties plaats: Bern (Febr.1919), Luzern (Aug. 1919), Genève (1920), Amsterdam (1921), maar reeds het feit, dat deze alle op voormalig neutraal gebied gehouden werden, wijst er op, dat de Tweede Internationale de door de oorlog geslagen wonden nog niet te boven was. In 1922 pas werd de Conferentie te Londen de eerste op het gebied van een der voormalige oorlogvoerende landen en pas het Congres van Hamburg in 1923 leidde tot een herstel der Internationale onder de naam Sozialistische Arbeiter Internationale (S.A.I.). Na het uitbreken van Wereldoorlog II (1939) heeft de S.A.I. geen activiteit meer ontplooid. Officieel is zij met ingang van 1 Jan. 1946 ontbonden. Sinds het internationaal socialistisch congres te Antwerpen (28 Nov. - 2 Dec. 1947) is de Comisco (Committee of International Socialist Conferences) te Londen het contactorgaan tussen de socialistische partijen.

Als voornaamste leiders van de Tweede Internationale sinds 1918 noemen wij in alphabetische volgorde: Fr. Adler, Otto Bauer (Oostenrijk), A. Henderson (Engeland), R. Hilferding (Duitsland), K. Kautsky (Duitsland), R. MacDonald (Engeland), G.

Renaudel (Frankrijk), Stauning (Denemarken), A. Thomas (Frankrijk), Tsjernow (Rusland), E.Vandervelde (België) en Wels (Duitsland).

De TWEEËNEENHALFDE INTERNATIONALE of Weense Internationale werd in Febr. 1921 op initiatief van de Engelse Independent Labour Party (I.L.P.) de Duitse Unabhängige S.D.P. en de Zwitserse S.P. gesticht. Zij ontleent haar eigenaardige naam aan het feit, dat de toen nog niet heropgerichte Tweede Internationale de stichters te rechts, de Derde Internationale hun te links was. Haar theoretisch fundament was het zgn. austro-marxisme, de richting der Oostenrijkse sociaal-democraten, vandaar dat zij ook wel Weense Internationale heet. Zij heeft een rol gespeeld bij de poging van 1922 om al de arbeiders weer in één Internationale te verenigen, maar is daarin niet geslaagd. Na de scheuring in de Duitse U.S.D.P., die gedeeltelijk naar de Communisten, gedeeltelijk naar de in 1923 heropgerichte Tweede Internationale overging, verloor zij haar betekenis en hield zij op te bestaan. Haar leiders waren Friedrich Adler en Otto Bauer (Oostenrijk), A. Crispien (Duitsland), Longuet (Frankrijk), MacDonald (Engeland), Martow en Tsjernow (Russische mensjewiki).

DERDE Of COMMUNISTISCHE INTERNATIONALE (afgekort Komintern, van Kommoenistitsjeskij internatsional (Russ.)). De strijd tegen Bernstein, de splitsing der Russische soc.-dem. partij in bolsjewiki en mensjewiki, de oppositionele bewegingen in de Duitse en Nederlandse partijen in 1907 (z communistische partij in Nederland) getuigden reeds van het bestaan van een anti-revisionistische, revolutionnaire stroming in de socialistische beweging. Toen bij het uitbreken van Wereldoorlog I de 2de Internationale practisch uiteenviel, riepen de bolsjewiki in 1915 op de conferentie van Zimmerwald en in 1916 op die van Kiental allen bijeen, die op het standpunt stonden van de strijd tegen de officiële soc.-dem. partijen. De behoefte aan betrouwbare bondgenoten der Sovjet-republiek in het Westen en de verwachting van een spoedige wereldrevolutie leidden op het 7de congres der bolsjewistische partij, op voorstel van Lenin, tot het besluit om een nieuwe, Communistische Internationale in het leven te roepen. Het oprichtingscongres had van 2-6 Mrt 1919 in Moskou plaats. Van de aanvang af onderscheidde zich de Derde Internationale in twee opzichten van haar voorgangster: haar politiek was niet revisionistisch, maar streefde met alle dienstige middelen de oprichting na van de werelddictatuur van het proletariaat, het stichten van een wereld-unie van Sovjet-republieken, de volledige opheffing van alle klassen en de verwezenlijking van het socialisme als eerste stap op weg naar een communistische maatschappij.

Verder was zij wat haar structuur betrof geen losse federatie, maar een zeer gecentraliseerde organisatie, waarin de besluiten van de hoogste organen (het Wereldcongres, dat een Uitvoerend Comité kiest, waarvan het Presidium permanent in Moskou zetelde) bindend waren voor alle aangesloten partijen. De van de aanvang af grote invloed van de Russische partij werd beslissend na Stalins overwinning op de oppositie. Dissidente groepen als die van Trotskij, Ruth Fischer, Wijnkoop e.a. werden in 1928 uit de Komintern verwijderd. Men kan zeggen dat van dat jaar af de politiek van alle aangesloten partijen — soms tot in de kleinste bijzonderheden — door de Russische partij via de Komintern bepaald werd. Een groot deel der activiteit van de Derde Internationale was gericht tegen deTweede: aan de „verraderlijke” rol van haar leiders schreef men immers vnl. het uitblijven van de wereldrevolutie toe. Na het aan de macht komen van Hitler en het succes van het volksfront in Frankrijk werd deze politiek op het laatste congres (1935) gewijzigd: bij monde van Dimitrow verkondigde het Uitvoerend Comité een politiek van samengaan met alle daartoe in aanmerking komende partijen tegen het fascistische gevaar en de dreigende oorlog.

Deze politiek werd voortgezet tot aan het uitbreken van Wereldoorlog II, waarin de Komintern geen partij koos tegen het fascistische Duitsland, maar de oorlog, evenals Wereldoorlog I, een onrechtvaardige, reactionnaire en imperialistische oorlog noemde. Pas na Duitslands aanval op de Sovjet-Unie sloot men weer aan bij de politiek van 1935-’39. De betrekkingen der U.S.S.R. met haar bondgenoten werden niet bevorderd door het bestaan van de Komintern. Deze omstandigheid en het feit, dat de Russische partij genoeg invloed op de andere partijen meende te bezitten om het zonder de Komintern te kunnen stellen, leidden tot de officiële opheffing van de Derde Internationale, door een besluit van het Presidium van het Uitvoerend Comité, op 15 Mei 1943. Men kan in de Kominform een bescheiden en voorzichtige voortzetting van de Komintern zien. De zeven congressen der Komintern werden alle te Moskou gehouden in 1919, 1920, 1921, 1922, 1924, 1928 en 1935. Op de voorgrond tredende figuren in haar geschiedenis waren Lenin, Trotskij, Stalin, Zinowjew (Rusland), Heinz Neumann, Ernst Thaelmann, Wilhelm Pieck (Duitsland), Jacques Doriot, Maurice Thorez (Frankrijk), Togliatti (Ercoli) (Italië), Dimitrow (Bulgarije), Wijnkoop (Nederland).

VIERDE INTERNATIONALE. Na zijn verbanning buiten de Sovjet-Unie nam Trotskij contact op met Amerikaanse, Franse, Belgische en andere oppositionele groepen en groepjes in en om de communistische beweging, die in 1938 te Genève de Vierde Internationale stichtten. Tijdens Wereldoorlog II stelde deze organisatie de belangen van de arbeiders boven de nederlaag van Duitsland en Japan en steunde (theoretisch, want een massale aanhang had zij niet) in de V.S. o.a. stakingen. Tegelijkertijd staat zij de verdediging van de Sovjet-Unie voor, als een ondanks bureaucratie en reformisme socialistische staat. In Apr. 1948 had het tweede congres plaats te Parijs, waar ook het tijdschrift La quatrième internationale verschijnt.

PROF. DR J. M. ROMEIN - K. VAN HET REVE

Lit. (algemeen): Lewis L. Lorwin, Labour and Internationalism (1930); John Price, The International Labour Movement (1945).

(Eerste Internationale): Max Nettlau, Michael Bakunin (3 dln, 1896-1900); James Guillaume, L'internationale. Documents et souvenirs, 1864-1878 (4 dln, 1905-1910); F. Mehring, K. Marx (Ned. vert. J. Romein, 1921); D.

Rjazanow,Die Entstehung der Int. Arb. Assoziation (Marx-Engels Archiv 1925); G. M. Stekloff, History of the First International (1928); G. Mayer, Fr. Engels, II (1934); Fis Arne Ording, Den Errste Internationale (1936).

(Tweede Internationale): G. Grünberg, Die Internationale und der Weltkrieg (1916); Archiv für die Geschichte der Arbeiterbewegung und des Sozialismus, hrsg. v. G. Grünberg (1910-1933); J. Lenz, Die II. Internationale und ihr Erbe, 1889-1929 (dl II, der Beiträge zur Gesch. der Arbeiterbewegung, 1930); W. van Ravesteijn, Het socialisme aan de vooravond van de wereldoorlog (dl 8, 1939, van: H.

P. G. Quack, De Socialisten).



(Derde Internationale)
:A. Balabanow, Die Zimmerwalder Bewegung (1914-1919) (1926); Kommoenistitsjeskij intematsional w dokoementach (Moskwa 1933); M. T. Florinsky, World Revolution and the U.S.S.R. (1933); G. L. R.

James, World Revolution, 1917-1936. The Rise and Fall of the Communist International 1937); F- Borkenau, The Communist International (1938); O. Hess Gankin & H. H. Fischer, The Bolshevics and the World War. The Origin of the Third International. (London 1940), m. uitv. bibl., blz. 729-770.

(Vierde Internationale): P. Frank, Contribution à l’histoire du trotskisme (Paris 1949).

< >