Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

EEUWIGHEID

betekenis & definitie

Het begrip „eeuwigheid” wordt meestal gevuld met een wonderlijk mengsel van Grieks-Platonische en bijbels-Christelijke gedachten, waarbij de Grieks-Platonische elementen meestal de overhand hebben. Dualistisch wordt dan gesproken over de tegenstelling tussen tijd en eeuwigheid, waarbij de eeuwigheid het karakter krijgt van het tijdloze, onveranderlijke, onbewogene in tegenstelling met de tijd, waarin alles voortdurend in beweging is en aan allerhande veranderingen onderhevig.

De eeuwige ideeën behoren bij Plato tot een andere wereld dan de onze, die een wereld van verandering en van dood is. De onsterfelijke ziel van de mens hoort eigenlijk thuis in die eeuwige wereld van onveranderlijkheid en is tijdens dit aardse leven in het lichaam gekluisterd als in een kerker. Het betekent voor de ziel verlossing om van het lichaam bevrijd te worden en zalig te mogen zijn in die andere wereld in en door de beschouwing der eeuwige ideeën.Dit Griekse denken heeft het Christelijke denken over de eeuwigheid diepgaand beïnvloed. Het is echter nodig op te merken, dat de Bijbel de tegenstelling tijd-eeuwigheid in filosofische zin niet kent. De Bijbel wordt beheerst door de tegenstelling van deze en de toekomende eeuw (aión houtos en aión mellón). Aión, aeoon, betekent niet: eindeloze duur, maar: tijdperk. Vandaar de bijbelse uitdrukkingswijze: van eeuwigheid tot eeuwigheid, per saecula saeculorum. Voor het Griekse denken moet deze uitdrukkingswijze dwaasheid zijn; zij is het echter niet voor het bijbelse denken. Déze aeoon wordt beheerst door de duistere machten van zonde, dood, duivel en hel. De toekomende eeuw herstelt de verloren gegane scheppingsluister; dàn zijn de duistere machten overwonnen en teniet gedaan.

Het bijbelse eeuwigheidsgeloof is dus eschatologisch gericht: het ziet niet in de eerste plaats naar bóven, naar een onveranderlijke, statische hemel van eeuwige waarden, maar het ziet naar de toekomst, wanneer door het handelen Gods in en door de Messias een nieuw tijdperk, een nieuwe en betere wereldbedeling zal beginnen. „De wereld gaat voorbij en haar begeerlijkheid, maar die de wil Gods doet, blijft in der eeuwigheid, tot in de aeoon, tot in het nieuwe wereldtijdperk” (1 Joh. 2:17).

Het zal duidelijk zijn, dat wij ons hier in een geheel ander gedachtenklimaat bevinden dan bij het Griekse denken. In de Bijbel bevrijdt de eeuwigheid ons niet van de geschiedenis en al haar veranderingen om ons een rijk van onveranderlijke, statische schoonheid binnen te voeren. In de Bijbel worden wij juist in de geschiedenis vastgehouden door het begrip der aeonen, tijdperken: God wordt hier gezien als de in de geschiedenis handelende God.

Het probleem van de tijd is stellig één van de allermoeilijkste filosofische problemen. De De Christelijke dogmatiek zal bij de bespreking van dit probleem enkele zeer fundamentele noties te verdedigen hebben. Zij zal de tijd moeten zien als een schepping, een schepsel Gods. God heeft de wereld niet in de tijd geschapen, maar heeft mèt de wereld de tijd geschapen.

Er is dus tegenstelling tussen Gods eeuwigheid en de tijd als gestalte dezer voorbijgaande wereld. In de tijd liggen verleden, heden en toekomst uit elkander. De eeuwigheid heeft en is gelijktijdigheid. God is onafhankelijk van de geschiedenis en de tijd, maar zo, dat Hij de tijd en de geschiedenis beheerst als Degene, Die voor, boven en nà de tijd is, Die geschiedenis en tijd in Zijn machtige hand houdt. Wat bij ons uiteenvalt in verleden, heden en toekomst, wordt in God samengehouden door de almacht van Zijn weten en willen: dat is Gods eeuwigheid.

In de Christelijke dogmatiek betekent dus Gods eeuwigheid niet, dat God niets met de tijd te maken wil hebben. De openbaring van de eeuwige God in Jezus Christus bepaalt de zin der geschiedenis en de betekenis van de tijd. Stellig staat de eeuwige God als de Schepper tegenover de tijd, die Zijn creatuur is. Maar nog stelliger betekent de eeuwigheid Gods behalve een crisis de zingeving, ja de vervulling van menselijke tijd en menselijke geschiedenis.

PROF. DR G. C. VAN NIFTRIK