Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Harmonie

betekenis & definitie

HARMONIE, v. (...nieën), overeenstemming tot een welgeordend geheel; de harmonie van zijn leven was gebroken; de harmonie tusschen man en vrouw liet te wenschen over, eensgezindheid, goede verstandhouding, eendracht: zij leven in de beste harmonie; naam van verschillende sociëteiten;

— (muz.) aangenaam klinkende vereeniging van gelijktijdige, of van elkander opvolgende tonen: eene wegslepende, smeltende harmonie;
— de harmonie der spheren, zie SPHEER;
— de volkomen overeenstemming van al de stemmen van een muziekstuk (in tegenst. met de melodie): de melodie van dat stuk is goed, maar de harmonie kon beter zijn;
— de gezamenlijke blaas(hout en koper) en slaginstrumenten in een orkest; de lieden die deze bespelen; vereeniging van personen die harmoniemuziek maken;
— de harmonie der kleuren, der onderdeelen van een bouwwerk, overeenstemming, bevredigende samenvoeging.