Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Tusschen

betekenis & definitie

Tusschen - vz. van weerszijden besloten door of te midden van twee zelfstandigheden: hij zat tusschen ons ;

— (fig.) dat blijft tusschen ons, niemand anders dan wij mag het weten (is er van meer dan twee personen sprake, dan gebruike men onder);
— tusschen Amsterdam en Haarlem, op den weg, die van de eene naar de andere stad leidt;
— (spr.) tusschen twee stoelen in de asch zitten, van verslagenheid niet weten wat te doen;
— tusschen deur en dorpel blijft veel steken, aan maat en strijkstok blijft veel kleven ;
— tusschen de regels door lezen, begrijpen wat niet uitdrukkelijk gezegd is ;
— het leger stond tusschen twee vuren, het werd van twee kanten beschoten ; (fig.) tusschen twee vuren zitten, in ’t nauw, in de klem zitten, inz. afhangen van twee personen die het tegengestelde willen ;
— tusschen hemel en aarde zweven;
— (zeew.) het schip kreeg drie schoten tusschen wind en water, juist aan de waterlijn ;
— met betrekking tot den tijd: het is tusschen elf en twaalf, na elf en vóór twaalf uur ; tusschen Paschen en Pinksteren;
— dat ging tusschen de bedrijven door, zoo onder de hand ;
— tusschen licht en donker, bij het vallen van den avond, bij het aanbreken van den dag ;
— tusschen hoop en vrees dobberen, niet weten wat men te hopen of te vreezen heeft;
— hij is tusschen mal en dwaas, in de vlegeljaren, (ook) hij is niet goed wijs.
(Tusschen vormt tallooze samenstellingen ; niet alle zijn opgenomen; waar de beteekenis niet vermeld is, beteekent het alleen tusschen twee andere in).