Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Man

betekenis & definitie

MAN, m. (-s, -nen), mensch, zonder onderscheid van geslacht: de gemeene man, het volk;

wij missen een vierden man, bij een of ander spel;
— de derde man brengt de pront an;
— op den man af, rechtstreeks, zonder omwegen;
— als de nood aan den man is (komt), als het volstrekt noodig is;
— de gaande en komende man, de gaanden en komenden
— (Zuidn.) man en maagd, iedereen: iets tegen man en maagd vertellen; man noch maagd, niemand;
— ik zal u man en paard noemen, den naam en toenaam van den betrokkene;
— met man en muis vergaan, (van een schip) schipbreuk lijden zonder dat iets of iem. gered wordt;
— man voor man, een voor een;
— de man een kwartje, elk zij kregen een gulden per man, per hoofd
— (Zuidn.) het van den man maken, brengen, woest en wild te werk gaan;
— (Zuidn.) de honderdste man zou dat niet verstaan, niemand;
— mensch van het mannelijk geslacht, volwassen mannelijk persoon: mannen, vrouwen, kinderen en grijsaards, allen werden gedood; hij is een eenvoudig, eerlijk man;
— een man in bonis, die er goed bijzit; een man van studie en smaak;
— de mannen van het vak; een man van eer, van karakter;
— een man van den dag, iem. wiens dagen geteld zijn, inz. een hoogbejaarde;
— hij is er de man niet naar, het ligt niet in zijn aard;
— man te roer 1, (zeew.) commando om den roerganger te doen vervangen; <
— (in de aanspreking) mannen broeders !;
— dat is mijn man, of dat is een man die mij lijkt, dat is juist iem. dien ik hebben moet;
— zich aan zijn man houden, op iem. verhaal zoeken, voldoening van iem. eischen
— (Zuidn.) dm laatsten man zijnen zak opgeven, in de herberg blijven tot alle overigen weg zijn
— (met het oog op de mannelijke eigenschappen): als een man, op eene kloeke, flinke wijze;
— een man een man, een woord een woord, men moet zijne belofte (afspraak, verbintenis) nakomen;
— kom, wees een man, toon dat gij een man zijt, wees niet kinderachtig, houd u flink;
— hij is mans genoeg, sterk, krachtig, flink, moedig, ondernemend genoeg:
— hij is wat mans, durft veel;
— (ook uit het oogpunt van weerbaarheid of strijdbaarheid) man tegen man strijden;
— hij zal zijn man wel vinden, iem. die hem aandurft; hij staat zijn man, gaat voor niemand uit den weg, neemt het tegen iedereen op;
— soldaat: er ligt daar eene bezetting van twee duizend man; een korporaal met twaalf man;
— getrouwd man, echtgenoot: man en vrouw, echtpaar;
— aan den man komen, trouwen;
— aan den man brengen, aan een meisje een man verschaffen; (fig.) koopers voor iets vinden;
— dat zal zijn man wél vinden, daar zullen wel liefhebbers voor zijn;
— aan den man helpen, (fig.) zich van iets ontdoen;
— leenman man en maag, zie maag.