Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Harmonica

betekenis & definitie

HARMONICA, v. (-’s), muziekinstrument; bij de glasharmonica worden kurken hamertjes, die tegen de klokken slaan, door middel van een voetpedaal in beweging gebracht, bij de gewone harmonica brengt de lucht bij het in- en uitschuiven van het instrument stalen veeren in trilling; chemische harmonica, eene verticale, open glazen buis, waarin eene gasvlam tonen voortbrengt; verbinding tusschen de wagons van een harmonicatrein, op den blaasbalg eener gewone harmonica gelijkende;

—SPELER, m. (-s);
—TREIN, m. (-en), spoortrein waarbij de wagens zoo aan elkaar aansluiten, dat men zonder buiten te komen van den eenen wagen in den anderen kan komen.