Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Trek

betekenis & definitie

m. (-ken),

1. het trekken: het is voor de paarden een hele trek, met die wagen tegen de dijk op:
2. een bep. handeling van trekken, een keer trekken: nog één trek en de kist is boven; — keer dat men een visnet of een vogelnet op- of toehaalt: in één trek hadden wij 4 zalmen;

3. (kaartsp.) kaarten die in eens uitgespeeld worden en die de winner naar zich toehaalt, slag: ik heb vier trekken gemaakt; — (bridge) één aan trek, zeven trekken maken (van de 13); 4. haal, lijn met de pen, het penseel, inz. voor zover karakteristiek; die hoofdletter moet in één trek gemaakt worden; met een sierlijke trek schreef hij zijn naam; die brief is van Jan: ik zie het aan de trekken der letters; de stoute trekken van het penseel van Rembrandt; — iets met een paar vlugge trekken schetsen, tekenen; — (fig.) de geschiedenis in grote trekken vertellen, in hoofdzaken, niet in bijzonderheden; 5. kenmerkende lijn in het gelaat: hij heeft dezelfde trekken als zijn vader; — ook met betr. tot de uitdrukking op een bep. ogenblik: een spottende, minachtende trek om de mond; 6. kenmerkende eigenschap: een trek van iemands karakter; dat was een mooie, trek, karaktereigenschap, ofwel: karakteristieke handelwijze; 7. handelwijze ten opzichte van iemand, inz. loze streek, poets: iem. een lelijke trek spelen; zijn trekken thuis krijgen, loon naar werken krijgen, op zijn beurt bedot of gestraft worden;

8. (Zuidn.) slag: iem. een trek geven; de trek van iets hebben;
9. partij kwastharen van gelijke lengte;
10. zwak spiraalvormige gleuf in de loop of mond van een vuurwapen, waardoor het projectiel een draaiende beweging krijgt; progressieve trekken, waarvan de diepte voortdurend naar de mond toe afneemt;
11. (g. mv.) luchtstroom, tocht: op de trek staan; — in ’t bijz. bij een stookplaats: er is geen trek in de schoorsteen; valse trek, trek die over het vuur heen gaat in plaats van er door, b.v. als het bovenste deurtje van een kachel openstaat;
12. een keer zuigen, haal: een paar trekken aan een sigaar doen;
13. het trekken in de zin van naar elders gaan, reis, verhuizing: de Grote Trek der Boeren, hun verhuizing uit de Kaapkolonie over de Oranjerivier; — in ’t bijz. de geregelde verhuizing van sommige vogels naar andere luchtstreken met de wisseling der seizoenen: die vogels verschijnen hier op de. trek; — ook van vissen;
14. (g. mv.) begeerte, lust, verlangen: trek naar roem; daar heb ik geen trek in; de trek naar het verbodene; — in ’t bijz. trek in eten, eetlust: vand. ook abs. voor eetlust, honger: ik krijg trek; waar heb je trek in, wat zou je graag willen eten; de zieke heeft geen trek, krijgt weer trek;
15. het begeerd-worden, in de verb. in trek zijn: die waar is zeer in trek, vindt veel aftrek; — die muziek komt in trek, wordt meer en meer verlangd; die boeken waren toen in trek, toen las men ze veel; — hij is daar niet in trek, hij is daar niet gewild.