Wat is de betekenis van trek?

2024-02-24
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

trek

trek - Zelfstandignaamwoord 1. iets dat iemand karakteriseert Dat is echt een trekje van die familie 2. (biologie) de reis die een soort afhankelijk van de seizoenen aflegt (migratie, trektocht) De trek is nog niet begonnen. 3. verlangen naar e...

2024-02-24
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

trek

trek - zelfstandig naamwoord 1. lijn in het gezicht ♢ hij heeft de trekken van zijn vader 2. het verhuizen naar een ander gebied ♢ de trek van de wintervogels is begonnen 3. é...

2024-02-24
Bridge Opzoekboek

drs. Toine van Hoof (2017)

trek

Elke zevende en hogere slag die de leider maakt.

2024-02-24
Theater

Gedigitaliseerd Ensie (2015)

Trek

Trek. Horizontale ijzeren stang over de breedte van het toneel, die met behulp van een samenstel van touwen en katrollen op en neer bewogen kan worden, teneinde doeken of delen van het decor in de kap* te kunnen hijsen of daaruit neer te laten dalen. Ook voor het ophangen van schijnwerpers*, hersbakken*, friezen* en poten*. Hiertoe hangen een aanta...

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-24
Marc De Coster

Marc de Coster (2007)

Trek

Trek - touw aan de zijkant van het toneel waarmee men de decors kan ophalenen neerlaten. Ook schijnwerpers, friesen e.d. worden met behulp hiervan opgehangen.

2024-02-24
Encyclopedie van het milieu

Oosthoek (1984)

trek

het massaal, periodiek verplaatsen van grote groepen dieren. De vogeltrek is eigenlijk overal steeds aan de gang. In het najaar trekt een groot deel van de broedvogels weg naar zuidelijker gelegen overwinteringsgebieden (meestal Afrika), om in het voorjaar weer naar het noorden terug te keren. De prestaties die hierbij geleverd worden, zijn indrukw...

2024-02-24
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

trek

1. Periode, poos, tijdje; in één trek, in één ruk; - vooral m. betr. t. slapen; ook pregn.: een poos slapen, tukje; een (goeie) trek doen. Den zesden nacht sliep ik in een trek door en ’s morgens kon ik het deksel goed verdragen, VERMEYEN 1947, 123. Ze nemen elk weer hun zelfde plaats in, met ’...

2024-02-24
Biologische encyclopedie

G. Th. van Kempen (1974)

trek

periodiek en massaal verplaatsen van grote groepen dieren over grote afstanden naar voedselrijkere gebieden (zowel bij vertrek als bij terugkeer). In de eerste plaats bekend bij vogels. Het verschijnsel is nog niet geheel verklaard. Ook bij rendier, walvis, lemming, vleermuis en treksprinkhaan. Behalve in verband met levensonderhoud kan trek ook sa...

2024-02-24
De grote encyclopedie van het antiek

Jan Durdik en anderen (1970)

Trek

de bij aardewerk decoratie met speciale penselen met lange, dunne punt getrokken omtreklijnen van een decor, meestal uitgevoerd in een donkere kleur. Bij het Delfts aardewerk heeft de trek een donkerblauwe, paarsblauwe of bijna zwarte kleur. De trek werd bij het Delfts aardewerk in de 17de eeuw geïntroduceerd en toegepast bij oosterse decors,...

2024-02-24
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

trek

lus, neiging; gelaatstrek; verhuising; verhuisende geselskap(pe) en /of toebehorens; tog; skof; afstand op trem- of busroete; lugtrek; skyf; getrek, aanhaal, aansleep; lyk na; uittrek (tand); uitwissel; aftreksel maak; waai (lug); teken, streep maak; verhuis; voortbeweeg; begeerte hê na iets; aanlok.

2024-02-24
De vreemde woorden

Fokko Bos, Dr. O. Noordenbos (1955)

Trek

uittocht (van Zuidafrikaanse Boeren uit Kaapkolonie)

2024-02-24
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Trek

s.; (lust), trek; — in, sin oan, smucht op, bitrekking op, bistek op; geenin iets hebben, earne net nei tale; — hebben (in eten), sin oan iten hawwe, iterich wêze; (haal), lûk, hys, hael; (gelaatstrek), trek, luts; (stroom) tôch, tocht(e), lûking; ...

2024-02-24
Woordenboek Engels (EN-NL)

Dr. F.P.H. van Wely (1951)

trek

I. „trek”; II. trekken, reizen.

2024-02-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Trek

m. (-ken), 1. het trekken: het is voor de paarden een hele trek, met die wagen tegen de dijk op: 2. een bep. handeling van trekken, een keer trekken: nog één trek en de kist is boven; — keer dat men een visnet of een vogelnet op- of toehaalt: in één trek hadden wij 4 zalmen; 3. (kaartsp.)...

2024-02-24
De Kleine Winkler Prins

Winkler Prins (1949)

Trek

(1), rechtsomlopende groef in het inwendige van een vuurmond ; (2) geregelde verhuizing van sommige vogels en vissen, verband houdend met de voortplanting. Zalm trekt de rivieren op, zoetwaterpaling naar zee; zeeleeuwen, zeehonden en walvissen trekken over grote afstand naar de plaatsen waar de jongen geboren worden. Bijna alle vogelsoorten hebben...

2024-02-24
Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Trek

(1, dierkunde) is een verschijnsel, dat onder de dieren bij insecten (vlinders, libellen, sprinkhanen), vissen, vogels en zoogdieren voorkomt. Zeer onregelmatig is de trek van de lemming en van de Zuidafrikaanse springbok, die door een toevallig optredende voedselschaarste teweeggebracht wordt. Over het algemeen is trek echter een gericht en period...

2024-02-24
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

trek

I. m. trekken, in bet. 8, 9 gmv.; 1. het trekken; ruk, haal; 2. slag bij het kaartspel; 3. haal met een pen; 4. gelaatstrek, karakteristieke lijn van het gelaat; 5. Z.-Afrik. verhuizing; ook: het hele reisgezelschap, de wagens, het vee enz.; 6. reis der trekvogels; 7. spiraalvormige insnijding in de loop of de ziel van een vuurwapen; 8. tocht inz....

2024-02-24
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

trek

m. (-ken; -je) A. [trekken 11] het trekken : nog een - en de wagen is binnen. B. [trekken I 2] haal, ruk ; met één van de hengel, van het visnet. C. ([trekken I 6] slag bij het kaartspel : ik heb nog maar vier -ken gemaakt. D. [trekken I 7] aftrek, vertier : hebben; in komen; die koopwaar is zeer in -, is zeer gewild. E. [trekken...

2024-02-24
Algemeen Technisch woordenboek

H.J. van Eyk (1916)

Trek

1e. In de werktuigkunde een in de richting van de lengteas naar buiten werkende kracht. 2e. De verdiepte gedeelten in getrokken loopen van vuurwapens.

2024-02-24
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Trek

m. (-ken), 1. het trekken: voor het paard is deze wagen een hele trek; kracht die op materiaal werkt, en de spanning die daardoor erin optreedt: trek uitoefenen; 2. (kaartspel) slag: ik heb vier trekken gemaakt; (zegsw.) (niet) aan zijn trekken komen, zijn deel (niet) krijgen; 3. lijn met de pen, het penseel: (fig.) iets in grote (brede, ruwe, ko...