Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

DORDRECHT

betekenis & definitie

Zuidhollandse gemeente van 1584 ha en (1948) 68.918 inw. De oude stad ligt schilderachtig op het noordelijkste punt van het Eiland van Dordrecht, waar de Beneden-Merwede zich vertakt in de Noord en de Oude Maas; uit de laatste gaat dan de Dordtsche Kil nog weer als zijtak naar het Hollandsch Diep.

De Oude Maas geeft door de daarin aangebrachte verbeteringen sedert 1928 een nieuwe verbinding van de stad met de zee langs de Nieuwe Waterweg voor schepen van 8 m diepgang. De Kil, de Noord en de Merwede geven voor de binnenvaart verbinding met Antwerpen en Zeeland, met Rotterdam en met Oost-Nederland en Duitsland. De hoofdspoorlijn van Rotterdam naar het Z. des lands gaat over Dordrecht en heeft hier een tak naar Gorinchem en de Betuwe. Door bruggen voor gewoon verkeer over de Oude Maas en het Hollandsch Diep vormt Dordrecht een schakel in de verkeersverbinding van Rotterdam met het Z. des lands. De oude zeehavens in de omgeving van de Grote Kerk, zoals de Wolwevers-, de Kalkhaven en de Nieuwe Haven, zijn thans door een nieuwe zeehaven aan de Dordtsche Kil (bereikbaar uit de Oude Maas door de nieuw gegraven Krabbegeul) vervangen. Ook boven de stad aan de Merwede en de Dordtsche Kil zijn binnenhavens en industrieterreinen aangelegd. De oude stad wordt omsloten door de Spui-, de Vriese-, de St Joris- en de Riedijkshaven en bevat behalve een groot aantal oude gevels de 15de-eeuwse Grote Kerk (100 m lang en 40 m breed; het middenschip rust op 56 zuilen), het 19de-eeuwse stadhuis, de Groothoofdspoort en het poortje van de vroegere Munt van Holland uit het jaar 1555. Op de plaats van de gevangenis stond vroeger de Kloveniersdoelen, waar in 1618 en 1619 de Dordtse Synode bijeenkwam.Hoofdmiddel van bestaan is de industrie welke een veelzijdig karakter draagt: glas-in-lood, kalkzandsteen en tegels, chemische nijverheid (stikstofverbindingen, bakeliet, enz.), houtzagerij, creosoteerinrichtingen, linnenconfectie, koper- en blikwaren, brandkasten en sloten, munitie (patronen), gas- en electrische meters en andere apparaten, machines en motoren, ketels, constructiewerken, scheepsbouw, stroop, vermicelli en macaroni, biscuit, chocolade, tabak, sigaren en sigaretten, likeur, bier, enz. Een deel van tot het Dordtse industriële gebied te rekenen grote bedrijven ligt aan de overkant der rivier in Papendrecht en in Zwijndrecht. Daarnaast is Dordrecht een belangrijk centrum voor de binnenvaart. In de zeehaven heeft een niet onbelangrijke overslag van kolen en industriële grondstoffen plaats. Dordrecht is en zal ook in hoofdzaak blijven een industriële zeehaven en neemt daardoor een eigen plaats in het havengebied van de Nieuwe Waterweg in. In totaal kwam langs de zeeweg (1947) 102.391 ton goederen binnen en werd 11.389 ton per zeeschip afgevoerd. In ditzelfde jaar liepen 182 zeeschepen met 93.434 bruto reg. ton inhoud binnen.

De stad telt verschillende inrichtingen voor middelbaar onderwijs (o.a. Gymnasium, Lyceum, Middelbaar Technische school, Middelbare Landbouwschool, Ambachtsschool). Er is verder een rechtbank en een kantongerecht en een kantoor van de Kamer van Koophandel. De stad bezit een schilderijenmuseum, een museum van oudheden en een belangrijk archief.

Van de middeleeuwse wallen is niets bewaard gebleven behalve de kern van de Groothoofdspoort, aan de noordzijde der stad, die in 1618 en 1692 geheel werd verbouwd. Het beeldhouwwerk is vervaardigd door de uit Luik afkomstige Gillis Goossensz. Huppe (1576-1650). De Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk is een geheel met steen overwelfde Gothische kruisbasiliek in Brabantse stijl met een indrukwekkende, 70 m hoge, onvoltooide westtoren, een schip met zijbeuken en kapellen, een hoog dwarsschip en een koor (in 1502 voltooid) met zijkapellen. Van het nog bestaande gebouw is het muurwerk der O.L.Vr.-kapel het oudste gedeelte (ca 1280). Met de bouw van de toren werd waarschijnlijk in 1339 begonnen. In het laatst der 14de eeuw werd de aanvang gemaakt met een herbouw, tijdens welke de kerk door de grote stadsbrand van 1457 geteisterd werd. Tot de pronkstukken van de kerk behoren de twee rijen koorbanken door Jan Aertsz. van Terwen, gen. Jeannin de Teruenne, van 1538-1542 vervaardigd, bijzonder fraaie voorbeelden van Vroegrenaissancesnijwerk in Nederland. Voorgesteld zijn aan de noordzijde de geschiedenis van Mucius Scaevola en een triomftocht van Karel V; aan de zuidzijde voorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament. Het stadhuis werd in 1383 als hal of beurs voor de Vlaamse kooplieden gebouwd en in 1544 tot raadhuis ingericht. Het merkwaardige bouwwerk is in de jaren 1835-’43 onherkenbaar verbouwd in de classicistische trant dier dagen.

Dordrecht bezit nog enkele zuiver Gothische trapgevels. In de 16de eeuw ontwikkelde zich een speciaal Dordts type van bakstenen gevelarchitectuur, hetwelk gevolgd wordt tot in het laatst der 18de eeuw. Het Museum Simon van Gijn, een herenhuis van 1729, bevat vnl. plaatselijke oudheden; het Dordrechts Museum bezit een uitgebreide verzameling schilderijen, w.o. vele van uit Dordrecht afkomstige meesters, in het bijzonder een groot aantal werken van Ary Scheffer (1795-1858). De belangrijkste Dordtse schilder is Aelbert Cuyp (1620-1691), wiens invloed tot in de 19de eeuw merkbaar bleef in de werken van de gebr. Abraham van Strij (Dordrecht 1753-1826) en Jacob van Strij (ibid. 1756-1815). Van Jan van Goyen (Leiden 1596-’s-Gravenhage 1656) zijn veel gezichten op Dordrecht bekend. Martinus Schouman en Johannes Christianus Schotel zijn verdienstelijke Dordtse marine-schilders uit de 19de eeuw.

Lit.: S. v. Gijn, Dordracum Illustratum, 4 dln (1908-1912); Voorlopige lijst der Ned. Monumenten van Gesch. en Kunst, III Zuidholland (Utrecht 1915), blz. 43-57; J. L. van Dalen, De Grote Kerk te D. (1927); J. J. Beyerman, De historische Schoonheid van Dordrecht, Heemschutserie dl 24 (Amsterdam 1946); Wandelingen door oud-Dordrecht (Leiden 1949).

Geschiedenis

Dordrecht heeft terecht altijd gegolden als de oudste stad van het graafschap Holland. Geheel onhistorisch is evenwel het verhaal, dat reeds graaf Dirk III vóór 1018 een burcht of zelfs een stad Dordrecht zou hebben gesticht. De plaatsnaam komt als Thuredrith voor het eerst voor in een onechte oorkonde, die omstreeks 1138 vervaardigd werd om aanspraken van het bisdom Utrecht o.m. op Dordrecht te steunen. Het bleef niettemin in handen van de graven van Holland, ofschoon Dirk VII in 1200 de leenhoogheid van Brabant moest erkennen over Dordrecht, dat dan oppidum, stad, wordt genoemd. Er was toen al een handel van betekenis; de Dordtse lakenhandelaren hadden zich in een hanze (genootschap) verenigd. Wijn en graan blijken reeds dan veel te worden aangevoerd, zodat men mag aannemen, dat sedert het begin van de 13de eeuw Dordrecht een aanmerkelijk aandeel verkreeg in de handel met het Rijnland, die tot nu toe in handen van Keulen, Tiel en Utrecht was. Dordrecht lag bijzonder gunstig op een plaats waar de rivieren Maas, Waal, Merwede en Lek en de Zuidhollandse en Zeeuwse stromen verbinding gaven met het Rijnland en het Midden-Maasgebied enerzijds, Vlaanderen, Brabant en Engeland anderzijds. Ondanks de belemmering van het rivierverkeer door talrijke tollen en de daarmede samenhangende opkomst van een landweg dwars door Brabant, is de betekenis van deze rivierhandel tot in de 16de eeuw steeds toegenomen. In 1220 verkreeg Dordrecht stedelijke voorrechten van graaf Willem I. Rechtspraak en bestuur berustten bij schout en schepenen, naast wie ook een college van raden bestond. De graven Willem II en Floris V bevorderden de concentratie van de rivierhandel in Dordrecht en maakten deze stad tot middelpunt van hun tolsysteem en daarmee tot een wezenlijke hulpbron voor hun financiën. Ook de grafelijke munt werd er gevestigd. Floris V lokte de kooplieden van de IJselsteden en Hamburg naar Dordrecht in concurrentie met Brugge. In 1299 bepaalde graaf Jan van Henegouwen, destijds regent (later graaf Jan II), dat alle goederen, die van de Merwede en de Lek werden aangevoerd, met name wijn, graan en hout, te Dordrecht ter markt moesten worden gebracht. Dit was de oorsprong van het stapelrecht; het werd in 1304 bovendien toepasselijk verklaard op een handelswaar, die voor de vaart stroomopwaarts zeer belangrijk was: het in Zeeland en Zuidholland gewonnen zout. In 1344 verwierf Dordrecht bovendien het zgn. Maasrecht, dat alle uit zee de Maas binnenkomende schepen dwong hun volle lading in Dordrecht te lossen. Aanleiding tot veel twist gaf de vrijstelling van het stapelrecht, die de overige Hollandse en Zeeuwse steden genoten. Tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten (1350) waren er onder de Dordtse burgerij scherpe tegenstellingen. Het patriciaat wilde handhaving van het stapelrecht in volle omvang en bevordering van de vreemde kooplieden, o.a. Hanzeaten en Engelsen. Een jongere klasse van welvarende burgers wenste samenwerking met de andere Hollandse steden en beperking van de vreemde invloed. Vandaar herhaalde botsingen. In 1367 bracht een revolutie de gilden aan de macht. Ofschoon ze die niet in volle omvang behielden, bleef Dordrecht toch sindsdien de enige stad in Holland waar de gilden grote invloed in het bestuur hadden, door het college van Achten (1386). De beschermende handelspolitiek, die het gildenregiem volgde, bracht veel schade toe aan de stad, zodat de tijdelijke vestiging van de stapel der Hanze (1389) op een fiasco uitliep. In de strijd tussen Jacoba en Jan van Beieren werd Dordrecht het centrum van de Kabeljauwen; Jan van Beieren beloonde het met bekrachtiging van het stapelrecht. In 1418 belegerden de Hoeken de stad tevergeefs. Later beperkte Philips de Goede het stapelrecht ter wille van de andere Hollandse steden, maar Dordrecht legde zich hierbij niet neer. In de jaren 1442-1445 zegevierde het in een conflict zowel met de Gelderse en Kleefse als met de Hollandse steden en de Bourgondische regering. Wel is waar had het stapelrecht, dat aldus gehandhaafd bleef, thans meer een fiscaal belang. Wel commercieel van gewicht was een nieuw soort stapelrecht dat zich in de 15de eeuw ontwikkelde, nl. de dwang opgelegd aan het toenmalige Zuidholland (tot de IJsel) om de producten, vooral die van de landbouw, in Dordrecht te markten.

In de 16de eeuw was Dordrecht een haard van ketterij; vooral het Augustijnenklooster stond hiervoor bekend. Een beeldenstorm werd er in 1566 door de magistraat voorkomen. Voor de opstand van 1572 was het van groot belang dat Dordrecht in Juni tot de zijde der Geuzen overging; het werd daartoe vooral mede bewogen, doordat de Geuzen de stromen beheersten en dus de zeehandel konden blokkeren. Als de veiligste stad (te midden van het water) werd het de zetel van het revolutionnaire bestuur: de eerste Statenvergadering der opstandelingen kwam er 19 Juli bijeen. Sindsdien verbleef Oranje er vaak en hier heeft hij het eerst aan het Calvinistisch avondmaal deelgenomen (1573). In de twisten van het Bestand stond Dordrecht aan de kant van de Contra-Remonstranten tegenover Oldenbarnevelt en 1618-1619 was er de Nationale Synode bijeen (gelijk ook in 1578). In de latere tijd was Dordrecht echter een van de voornaamste Staatsgezinde steden, de stad der De Witten. Vandaar de onlusten in Juli 1672, waarbij Cornelis de Witt het middelpunt was van de volksagitatie. In de 18de eeuw werd Dordrecht overvleugeld door Rotterdam als haven aan de Maas en eerst in het einde van de 19de eeuw herkreeg het enige betekenis als zeehavenplaats.

PROF. DR J. F. NIERMEYER

Lit.: M. Balen Jzn, Beschrijvinge van Dordrecht (1677); J. van Beverwijck, ’t Begin van Holland in Dordrecht, enz. (1640); J. L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht (1932-1933); B. van Rijswijk, Geschiedenis van het Dordtsche Stapelrecht (1900); H. J. Smit, De relaties tusschen Holland en Brabant en het Dortsche stapelrecht van 1299 tot 1335 (in: Bijdr. Vad. Gesch. 7de r. dl X); J. F. Niermeyer, Dordrecht als handelsstad in de 2de helft v. d. 14de eeuw (ald. 8ste r. dl III en IV); Idem, Een vijftiende-eeuwse handelsoorlog: Dordrecht contra de bovenlandse steden, 1442-1445 (in: Bijdr. en Med. Hist. Gen., dl LXI); T. S. Jansma, De betekenis van Dordrecht en Rotterdam omstr. het midden der 16de eeuw (in: De Economist, jrg. 1943); Idem, Dordrecht wordt Geus (in: Econ.-hist. opstellen voor prof. Z. W. Sneller, 1947); G. D. J. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, 1572-1844 (4 dln, 1838-1845); H. Blink, Ontwikkeling en tegenwoordige beteekenis van D. (Tijdschr. v. Econ. Geogr. 1923); Zeehaven Dordrecht (uitgave Gemeentebestuur 1930); W. E. Boerman, Dordrecht middelpunt van het industrieele zeehavengebied van de Oude Maas (Tijdschr. v. Econ. Geogr. 1930).

In Wereldoorlog II was de stad met omgeving in de Meidagen van 1940 het toneel van bittere strijd. Duitse luchttroepen hadden zich op 10 Mei meester gemaakt van de bruggen bij Moerdijk en Zwijndrecht en tevens het vliegveld Waalhaven veroverd. Vooral het verloren gaan van dit vliegveld werd aan Nederlandse zijde zeer ernstig gevoeld, aangezien daar steeds nieuwe Duitse versterkingen aan de grond werden gezet, welke vooral een bedreiging vormden voor Rotterdam.

De zwakke Nederlandse Lichte Divisie, met grote spoed uit Noord-Brabant ontboden, kreeg na een vergeefse poging om over de Noord bij Alblasserdam door te breken naar Waalhaven, opdracht het Eiland van Dordrecht van vijanden te zuiveren om vervolgens over ’s-Gravendeel en Barendrecht op te rukken naar het vliegveld. Bij de gevechten, welke hierna ontstonden op het eiland en in de straten van de stad bleken de Nederlandse wielrijders ten slotte niet opgewassen tegen de goed bewapende Duitse parachutisten, welke bovendien voortdurend versterking kregen. Op 13 Mei moesten de resten van het Nederlandse wielrijders-bataljon het eiland ontruimen, waarmede de stad Dordrecht in handen viel van de vijand.

Lit.: K. van Loon, Het verzet in en om Dordt (1947).