Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

ZORGEN

betekenis & definitie

ZORGEN, (zorgde, heeft gezorgd), zorg dragen, hebben, waken voor: laat er mij maar voor zorgen; de ouders zorgen voor hunne kinderen; zorg dat gij niet te laat komt, draag er zorg voor;

— voor het eten zorgen, het in orde brengen;
— voor het geld zorgen, het verschaffen, (ook) het beheeren;
— voor de kinderen zorgen, op hen letten, toezicht houden, verzorgen;
— zorg dat er niets aan komt, wees daarmee voorzichtig;
— (spr.) die dan leeft, die dan zorgt, zie LEVEN; violen laten zorgen, zie VIOOL. '