Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Dragen

betekenis & definitie

DRAGEN, (droeg, heeft gedragen), het zoo ondersteunen; dat het niet kan vallen het ijs kan u nog niet dragen; eene kroonlijst door beelden gedragen;

iets naar eene andere plaats brengen, terwijl het op een deel van het lichaam rust of omhoog gehouden wordt: een last dragen; eene baar dragen; emmers water dragen;
— dat draagt niet gemakkelijk, op die wijze kan men niet gemakkelijk dragen;
— die muur draagt op palen, steunt, rust op palen; de schotbalken dragen op zwaluwstaartvormige aanslagstukken van hardsteen, steunen, rusten op
— (fig.) iem op (de) handen dragen, zeer veel met hem ophebben;
— een kleedingstuk, een sieraad aanhebben, gebruiken die jas heb ik een jaar gedragen; ik draag geene handschoenen; (vooral) gewoonlijk dragen in hij draagt eene pruik; ze draagt eene Friesche kap; een bril dragen;
— ook van iets wat aan de kleeding bevestigd is een lintje in ’t knoopsgat dragen;
— in de mode zijn: dit jaar draagt men nauwe rokken;
— bij zich hebben: hij draagt altijd eene revolver in zijn zak;
— de wapens dragen, krijgsman zijn:
— de kroon dragen, regeerend vorst zijn;
— voorzien zijn van 't stuk draagt zijne naamteekening; het vaandel droeg het volgende devies; het teeken der misdaad op t voorhoofd dragen;
— de boom draagt vruchten, brengt vruchten voort; (ook) de boom draagt goed;
— dragend kapitaal, rentegevend;
— (fig.) mijne bemoeiingen hebben vrucht gedragen, eene goede uitwerking gehad;
— de kosten dragen, voor de betaling zorgen;
— de schuld van iets dragen, schuldig aan iets zijn, (ook) zich als den schuldige laten beschouwen;
— (zeew.) het dragende houden, heen en weer zeilen op dezelfde hoogte;
— zwanger zijn (vooral van dieren): de merrie draagt elf maanden;
— etteren de wonde, dat oog draagt;
— (zeew.) de zeilen dragen, staan bol door den wind;
— ’t geweer draagt niet ver, brengt den kogel niet ver:
— mijn gezicht draagt niet ver, ik kan niet ver zien:
— verduren, uitstaan die pijn, dat leed is niet te dragen; draag, wat God u oplegt;
— (fig.) zorg dragen, hebben;
— haat dragen, voeden;
— hij draagt zijne jaren wel, hij ziet er, hoewel oud, toch goed uit.