Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Viool

betekenis & definitie

Het begrip viool heeft 2 verschillende betekenissen:

1. viool - VIOOL - v. (violen), (plantk.) een plantengeslacht (viola) met aangenaam geurende en zachtgekleurde lentebloemen, tot de familie der vioolachtigen bchoorende, waarvan 10 soorten in Nederland in ’t wild gevonden worden : de moerasviool; de ruige viool; de welriekende viool, ook wel tamme blauwe viool of stiefmoedertje geheeten : de bosch/ viool; de Riviaansche viool; de hondsviool; de lancetbladige viool; de bleekbloemige viool; de grootbladige viool en de driekleurige of wilde viool, ook wel drievuldigheidsbloempje, grïlkijker, violet en wilde pansee geheeten: enkele en dubbele viooltjes; een ruikertje viooltjes. VIOOLTJE, o. (-s), vioolbloempje.

2. viool - VIOOL - v. (violen), zeker snarenspeeltuig dat uit eene langwerpig ronde, platte, kleine kast met klankgaten bestaat en met vier snaren bespannen is (de g, d, á en é): eene viool besnaren, met snaren bespannen; het bovenblad, onderblad, de greep eener viool; eene heele, halve, driekwartviool, onderscheiding naar de grootte; de viool bespelen;
— (spr.) hij speelt de eerste viool, voert het hoogste woord, heeft den boventoon, speelt eene eerste rol, deelt de lakens uit enz.; op de groote viool spelen, den grooten heer uithangen;
— vioolspeler: hij is eerste, tweede viool;
— de violen waren goed, het vioolspel;
— violen laten zorgen, zich niet bekommeren om hetgeen er gebeurt;
— (Zuidn.) gevangenis, nor: in de viool zitten, iem. voor de viool krijgen;
— (zeew.) vioolblok. VIOOLTJE, o. (-s).