Maar betekenis & definitie

1. Maar vw. bij het zuiver tegenstellend zinsverband, om twee gedachten te verbinden de jeugd leeft in de toekomst, maar de grijsheid in het verleden; geen woorden, maar daden zijn hier noodig; bij het beperkend tegenstellend zinsverband, wanneer de tweede zin in tegenstelling is met een gevolg of besluit, dat uit den inhoud van den eersten zin te wachten was: zij hebben oogen, maar zien niet; — klein, maar dapper; — gewoon is het gebruik van maar in min of meer zijdelingsche tegenwerpingen: maar begrijpt u dat dan niet; ja maar, als dat nu niet zoo is; — neen maar, dat wordt te erg; bw. slechts, alleenlijk, enkel, niet dan; gij hebt maar één leven te verliezen; hij is maar twintig jaar oud geworden; — met verzwakte beteekenis: inderdaad. nogal, toch is maar koud weer; ’t is maar vervelend; — dat is maar al te duidelijk; gij hebt het maar voor 't zeggen; het wil maar niet lukken; — (Z. A.) heel, erg; hij lijkt mij maar ziek; — als hij maar genoeg heeft (dan bekommert hij zich niet om de rest); — drukt een twijfel uit: als ik maar klaar kom; — in optatieve zinnen: was hij maar hier; — pas maar op, als aanmaning of waarschuwing.

2. Maar o. (maren) tegenwerping, bedenking: hij komt altijd met maren aan; geen maren!, geene bedenkingen !; er is een maar bij, iets dat de zaak in de war zou kunnen brengen.
3. Maar v. (maren), MARE, v. (-n), tijding, gerucht de mare loopt of gaat.
4. Maar ,Mare v. (Zuidn.) nachtmerrie; van de mare bereden zijn, de nachtmerrie gehad hebben.