Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

Gepubliceerd op 03-02-2023

hoofd

betekenis & definitie

1. In enkele verb. die in de standaardt. niet voorkomen: (zich) iets in het (zijn) hoofd steken, het zich vast voornemen, ook: zich iets inbeelden, er steeds aan denken; in de standaardt.: zich iets in het hoofd zetten;

- heel wat om het (zijn) hoofd hebben, aan zijn hoofd hebben;
- iets uit zijn hoofd steken, stellen, uit zijn hoofd zetten, er niet meer aan denken, ook: er niet meer op hopen;
- van hoofd tot voeten, van top tot teen.

Dat haar man aan ’t front staat en dat zij het nu in haar hoofd gestoken heeft dat hij gesneuveld is, DE COREL 1949, 68.

Het zit hem dwars dat zij papa misprijst, hem pijn doet, altijd tegen zijn wil ingaat, en geen ogenblik kan hij dat uit zijn hoofd stellen, WEYTS 1950, 103.

Zij hield voet bij stuk, mijn moeder. Als zij zich eenmaal iets in het hoofd gestoken had, viel er door de band niet meer over te discuteren, BOSSCHAERTS 1954. 5.

‘Wij hebben onze jeugd tijdens de oorlog gehad,’ zei ik, ‘wij hadden toen andere dingen om het hoofd,’ GHYSEN 1963, 7.

Toen hij twintig jaar was had hij zich in het hoofd gestoken pastoor te worden, WALSCHAP 1963, 399.

In de finale komen was onze grote droom. Dat moeten we nu maar uit ons hoofd steken, Gentenaar 12/8/1977.

2. Pur. voor: chef (van een kantoor), bureauchef. (Zie bijv. bureelhoofd).

Afl./Sam.: hoofdig, (w.g.) van sterke dranken: naar het hoofd stijgend, koppig (Deze eerste bladzijden, met een eerste, vrij hoofdige borrel van Murk, waren nog wat bewerkelijk, DAISNE 1976b, 170); hoofdbrok, (gall., naar fr. pièce de résistance) het belangrijkste van iets, hoofdschotel (Is de hoofdbrok uiteraard de basketbalsport, er is vanaf 14 u. ook enz., Gentenaar 30/5/1977.

De redevoering van J.C. (is) werkelijk de hoofdbrok geweest van deze IJzerbedevaart. Iedereen wachtte erop en het gevolg was dat het eigenlijke programma een beetje op de achtergrond is geraakt, Gazet v. Antw. 4/7/1977); hoofdhuis, hoofdkantoor (Met hoofdhuis gevestigd in Zweden, Gazet v. Antw. 3/6/1978); hoofdmeester, (thans w.g.) schoolhoofd; hoofdopsteller (zie ald.); hoofdpelletjes (zie ald.); hoofdverdeler (zie ald.); hoofdvlak(ke), (gewest.) hoofdkaas, zult (Ik kan of mag niet zwijgen over ook nog kop of hoofdvlak, want geen echt Vlaams Breughelfeest als het er ontbreekt, BOON 1972, 24. Gebraden worstjes, hoofdvlakke, bloedling, boerenbrood met hesp, Gent 12/8/1976, p. 18).