Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 23-01-2023

DENKPROCES

betekenis & definitie

De psychologie van de 19de eeuw, uitgaande van het onbetwijfelde axioma, dat elk psychisch voorval moest beschouwd worden als opgebouwd uit enkelvoudige elementaire gewaarwordingen, meende de laatste eerst volledig, of althans overzichtelijk te moeten kennen, voordat een wetenschappelijk onderzoek van de zgn. „hogere functies” mogelijk zou zijn. Eerst in de aanvang van de 20ste eeuw kwam hier verandering.

Als baanbrekend moet daarbij het werk genoemd worden van de leerlingen van Külpe, die aanvankelijk hoogleraar te Würzburg en daarna te Bonn was. Naar de eerstgenoemde plaats werd hun werk de Würzburger school geheten.Deze school toonde met de hulpmiddelen van de experimentele retrospectie de onhoudbaarheid aan van de gangbare opvatting, dat het denkproces een stroom zou zijn van aan elkaar door herhaling vastgekoppelde voorstellingen. Legt men aan proefpersonen een bepaalde, niet al te zware, maar ook niet al te gemakkelijke taak op en laat men hen na afloop vertellen, wat zij zich herinneren bij de oplossing beleefd te hebben, dan blijkt het dat in zeer vele gevallen het denkproces volstrekt onaanschouwelijk, dus zonder enige visuele, auditieve of motorische voorstelling, verloopt. Of althans: de proefpersoon kan zich niets van dien aard te binnen brengen; zelfs niet bij de meest onmiddellijke en nauwkeurige contrôle. Alleen in betrekkelijk zeldzame gevallen worden dragende voorstellingen opgeroepen, om de gedachtengang te toetsen of om nieuwe uitgangspunten te winnen. Dit geldt natuurlijk niet voor denkprocessen, welke door de aard van hun object aangewezen zijn op voortdurende raadpleging van en toetsing aan een aanschouwelijk gegeven (men denke bijv. aan de analyse van een kunsthistorisch monument, een oudheidkundige bodemvondst, een weefselpraeparaat, enz.). Duiken de aanschouwelijke voorstellingen te veelvuldig en in te levendige vorm op, dan wordt daardoor het denkproces niet bevorderd maar veeleer geremd, omdat de „draad” niet strak wordt vastgehouden, zodat het denken op allerlei zijsporen komt. De aanschouwelijke voorstellingen hebben immers een andere verhouding tot de mens dan het denken van abstracte relaties. De eerste nl. doen een veel sterker weerklank ontstaan in drift- en gevoelsleven en drijven niet zelden de denkende persoon geheel uit zijn baan. Een typisch voorbeeld levert daarvan het „ideeënvluchtige” denken in sommige psychosen; ook het denkproces bij hen, wier taalontwikkeling is geremd (zie doofstommenonderwijs), en in het algemeen bij de primitieve mens (kinderen, onontwikkelde volksgroepen of volkeren) toont duidelijk deze invloed. De functie van de taal in het denkproces blijkt te zijn, dat zij dit hogere, onaanschouwelijke denken mogelijk maakt doordat zij een sfeer schept, waarin het denken zich kan bewegen, zonder dat het voortdurend in de laag van het concreet-aanschouwelijke behoeft te blijven. Alleen waar twijfel rijst omtrent de langs abstracte weg bereikte resultaten, dient de verbinding met de direct aanschouwelijke laag tot correctie. Het is volstrekt niet alleen een tijdbesparing, die aldus wordt verkregen, hoewel ook deze bij de veelvuldige samengesteldheid van de problemen en de kortheid van onze levenservaring van het hoogste gewicht is. Maar veel gewichtiger is toch, dat langs de weg van de abstractie begrippen bereikt en samenhangen blootgelegd worden, waartoe een denken, dat concreet-aanschouwelijk blijft, nooit zou kunnen komen.

Natuurlijk betekent deze nauwe samenhang tussen het hogere geestesproces en de taal geenszins, dat alle denken zich in geformuleerde zinnen zou bewegen. Integendeel, hier rijst het denken, nadat het zich in de taal zijn vorm heeft geschapen, heel vaak boven de taalformule uit of snelt daaraan vooraf. De proeven bewijzen — en wij allen hebben weleens soortgelijke ervaringen — dat wij bij tal van vragen heel goed weten, dat wij een antwoord weten, zonder dat wij dat geformuleerd, laat staan in alle delen uitgedacht, tot onze beschikking zouden hebben. Voltrekken wij, na een aanvankelijke totaal-idee van de richting waarin de gedachtengang gaan moet, die uitwerking stap voor stap, dan zijn wij daarbij niet overgeleverd aan mechanische en toevallige associaties, maar volgen wij een op ordeningsprincipes gebaseerde samenhang, zodat het denkproces langs systematische methode zich voltrekt.

Hoe meer wij deze ordeningsprincipes in hun veelvuldigheid leren gebruiken, des te rijker aanschouwingsmateriaal zullen wij volledig kunnen opnemen en blijvend beheersen; onze gehele beschaving en haar natuurbeheersing blijken op die hoger en hoger, wijder en wijder groeiende ordeningssystemen te zijn gebouwd. Maar natuurlijk mogen zij niet als een kennis-magazijn worden beschouwd, waarin het eenmaal ervarene rustig wordt gedeponeerd om later eventueel voor de dag te worden gehaald. Denken is niet statisch, maar dynamisch; vandaar juist het woord denk-proces; het komt in beweging door een opdracht, die wij ontvangen van anderen, of die wij onszelf stellen. Daarom is alle ware denken vraag en antwoord, dialectiek. De drijvende kracht kan daarbij een zuiver theoretische zijn, zoals blijkt uit de aandacht, de concentratie, waarmede reeds de kleuter, ja de zuigeling, een zelfde handeling herhaalt, om de samenhang te doorgronden, waarin zij staat. In verreweg de meeste gevallen is echter de aandacht niet alleen aldus bepaald, maar wordt zij gericht door vitale, of andere emotionele aandriften. Een denkproces, dat niet op deze natuurlijke basis van belangstelling rust, kan slechts voor korte tijd en zonder veel vrucht gehandhaafd blijven. Vandaar dat de eerste regel voor de versterking van alle denken moet luiden: Wek belangstelling in de te vinden uitkomst van het proces door inzicht te geven in de zin, de betekenis van datgene, waarop het denken zich richt (zie didactiek).

Lit.: Bigot-Kohnstamm en Palland, Leerboek der Psychologie (Groningen 1946, 2de dr. 1948); Ph. Kohnstamm, Aanschouwingen abstractie als momenten van „leeren denken” (1932) en Over „denken” en „leeren denken” (1932, herdrukt in: Keur uit het didactisch werk, 1948); Delacroix, Les opérations intellectuelles (1936); idem, Psychologie de la raison, in: dl V van Dumas, Nouveau traité de psychologie (1936).