Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Voeren

betekenis & definitie

Het begrip voeren heeft 3 verschillende betekenissen:

1. voeren - VOEREN - (voerde, heeft gevoerd), voederen (van vee); de pomp voeren, van water voorzien.

2. voeren - VOEREN - (voerde heeft gevoerd), vervoeren: waren naar de markt, uit het land, iem. over eene rivier voeren ;
— leiden : iem. bij de hand voeren; iem. naar de gevangenis voeren, gevangenzetten ;
— soldaten in *t veld, ten strijde voeren, aanvoeren, het bevel er over hebben ;
— besturen, de leiding hebben : het bewind voeren; het opzicht, de heerschappij voeren;
— oorlog voeren, in oorlog zijn ;
— een proces voeren, procedeeren ;
— hei woord voeren, eene rede houden in eene vergadering;
— het hoogste woord voeren, den boventoon voeren, het meeste te zeggen hebben, (ook) het meeste praats hebben ;
— den degen voeren, hanteeren ;
— hij weet uitstekend de pen te voeren, met de pen om te gaan, hij kan flink schrijven;
— (zeew.) eene vlag voeren, aan den mast vertoonen ; zeil voeren;
— dragen, hebben, houden : verboden wapens voeren; een titel voeren, zie STAAT ;
wat voert hij in zijn schild ?, beoogt hij, heeft hij ten doel ? VOERING, v. het voeren.

3. voeren - VOEREN - (voerde, heeft gevoerd), (kleerm.) verdubbelen, beleggen (met voering): eene jas met bont voeren; eene japon met gaas voeren; gevoerde handschoenen ;
— (behangers) die kamer moet eerst gevoerd worden, met voeringpapier beplakt ;
— een koperen ketel voeren, van binnen vertinnen.