Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

Schild

betekenis & definitie

Schild - o. (-en), zeker verdedigingswapen, vroeger hier te lande beukelaar geheeten, van verschillende grootte en gedaante, dat nu eens uit hout met leder of metaal bedekt, dan weder geheel uit metaal bestond, en tot bescherming aan den linkerarm gedragen werd; met speer en schild gewapend:

— iem. op het schild verheffen, gebruik der oude volken om iem. als aanvoerder of vorst te erkennen;
— (fig.) iem in het schild varen, iem. aantasten (inz. met woorden); iem. te schild en te speer vervolgen, iem. een doodelijken haat toedragen;
— (fig.) wat ons zekere bescherming geeft: de Heer is mijn schild;
— wapenbord: een adelaar in zijn schild voeren;
— (fig.) ik weet niet, wat hij in zijn schild voert, welke geheime oogmerken hij heeft;
— hard dekschild, rugbekleedsel (der schildpadden enz.);
— uithangbord : wat staat er op zijn schild ?
— munt waarop een wapenschild is afgebeeld;
— (jag.) de bruine vlek op de borst van den patrijshaan;
— (zeew.) wapenbord dat op den spiegel van jachten en andere schepen prijkt;
— (sterrenk.) schild van Sobieski, zeker sterrenbeeld. SCHILDJE, o. (-s), klein schild (in alle bet.)