Land betekenis & definitie

o. gedeelte der aarde, dat boven water uitsteekt, vaste bodem te water en te land; dieren die in het water en op het land leven; het vaste land, in tegenstelling met eilanden; goederen over land vervoeren; — een land aandoen, op eene zeereis, in het voorbijvaren er even vertoeven; — soms bijna zooveel als wal, oever, kust: van land (van wal) steken, onder zeil gaan, (fig.) met iets beginnen, b. v. met een speech; — aan land kernen, aan wal komen; — aan land zetten, ontschepen; — (fig.) er is met hem geen land te bezeilen, men kan niets met hem beginnen, er is niet met hem om te gaan; — land voelen, grond voelen, genoeg gegeten en gedronken hebben; — iem. het land opjagen, hem uit zijn humeur brengen; — ik weet niet, waar hij te land is gekomen, waar hij terecht gekomen is, wat er van hem geworden is; — ik heb het land, ik verveel mij, het bevalt mij niet, ik heb het slecht naar mijn zin; (sterker) ik heb het land als een stier; — ergens het land aan hebben, iets moede zijn, ergens een hekel aan hebben; — de aardbodem ten opzichte van de bebouwing, dat deel der aardoppervlakte, dat tot het opleveren van natuurproducten geschikt is of geschikt gemaakt kan worden, grond, bouw-, weiland land bebouwen, ontginnen; land aanmaken, tot bebouwing geschikt maken; — hij bezit veel land, is een rijk grondbezitter; vier bunders uitmuntend land; hij heeft eene hofstee met eigen land (in tegenstelling met huurland)', goed, vruchtbaar, schraal land; de arbeiders zijn nog in ’t land; — een land waar geen land meer achter is, een uithoek, ver afgelegen land;

(fig.) zijn land ligt in zijne schoenen, gezegd van een snoever; — (Zuidn.) Mijnheer van zonderland, een kale pronker; — (Zuidn.) land meten, zwaaiende over den weg voortwaggelen (van een dronkaard) — het land, als tegenstelling van stad: op het land wonen; het platte land; de menschen in de steden en op het land; stad en land spreekt er van; hij heeft stad en land afgeloopen (vgl. landlooper); — (mv. -en), een groot begrensd deel der aardoppervlakte, dat door zijne bevolking of door politieke verhoudingen een geheel vormt, staat, rijk, grondgebied, (ook) gewest, streek dat is daar op die eilanden een goed land; hier te lande (in onze streken) zijn we dat anders gewend; — ’s lands wijs, s lands eer, men moet zich gedragen naar, zich onderwerpen aan de zeden en gewoonten van het land; Frankrijk is een schoon land; Rusland is een uitgestrekt land; — het land der rijzende zon, Japan; het land van belofte, het Heilige Land, (fig.) gelukkig land; — hij is nog in het land der levenden, leeft nog; — (Zuidn.) hij is het land uit, is gestorven; — in het land der blinden is éénoog honing, zie BLIND; — het voorjaar is in ’t land, het is voorjaar; — de kaart van het land kennen, zie KAART; — het is een stille in den lande, iem. van wien men weinig merkt; — het land van Rembrandt, van Rubens, waar deze geleefd en gewerkt hebben: — inz. zijn eigen land, het land waar men is geboren, vaderland: tijdingen uit zijn land krijgen; hij is al eene week weer in het land; het land verlaten; balling ’s lands; buiten ‘s lands zijn; het land dienen; — (fig.) het geheele land was in rouw gedompeld, de gansche bevolking; s lands welvaart hing er van af. LANDJE, o. (-s).

Gepubliceerd op 19-09-2018